Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Niet alle aanbestedende diensten gedagvaard in kort geding

woensdag 15 juli 2015

Drie aanbestedende diensten, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) en Waterschap Hollandse Delta (WSHD), hadden gezamenlijk een aanbesteding voor de opdracht van meetdiensten gehouden (Vzr. Rb. Noord-Holland 4 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:4561).

Eiseres, Stedin Meetbedrijf B.V., had in kort geding slechts HHNK gedagvaard. De andere twee, HHSK en WSHD, waren dus niet in het kort geding betrokken als gedaagde.

Onder het kopje ‘Aanbestedende dienst’ in de aanbestedingsdocumentatie was opgenomen dat HHNK deze aanbesteding “mede uitvoert namens HHSK en WSHD”.  ‘Opdrachtgever’ was volgens de Inschrijvingsleidraad “HHNK, HHSK en WSHD na gunning van de opdracht”. In de leidraad stond verder vermeld dat “HHNK, HHSK en WSHD [hebben] besloten gezamenlijk een Europese aanbesteding uit te schrijven teneinde één Meetbedrijf te contracteren voor het uitvoeren van alle wettelijke meetdiensten ten behoeve van alle drie de organisaties”. Verder bleek uit de stukken dat de aanbesteding als doel had “om voor HHNK, WSHD en HHSK per 1 april 2015 een Overeenkomst in te laten gaan met een initiële looptijd van tien jaar met de mogelijkheid voor Opdrachtgever de Overeenkomst onder gelijkblijvende voorwaarden twee maal voor de duur van vijf jaar te verlengen”.

Tenslotte was in de leidraad aan het slot nog opgenomen dat “HHNK, HHSK en WSHD de in te kopen leveringen en diensten [hebben] samengevoegd (geclusterd), waarbij geen gebruik zal worden gemaakt van percelen”.

In samenhang gelezen, aldus de voorzieningenrechter, kunnen deze bepalingen uit de inschrijvingsleidraad niet anders worden begrepen dan dat HHNK, HHSK en WSHD voor de onderhavige Aanbesteding gezamenlijk als één aanbestedende dienst optraden, met HHNK als penvoerder. Mede gelet op de – eveneens gezamenlijk – te sluiten langdurige overeenkomst, kon de strekking van de aanbesteding bezwaarlijk een andere zijn dan dat na gunning van de opdracht aan de winnende inschrijver rechten en plichten in het leven worden geroepen voor HHNK, HHSK en WSHD gezamenlijk.

Bij die stand van zaken achtte de voorzieningenrechter de rechtsverhouding tussen HHNK, HHSK en WSHD, zowel onderling als in relatie tot de inschrijvers, processueel ondeelbaar, in die zin dat hij het rechtens noodzakelijk achtte dat de beslissing ten aanzien van (alle drie) de aanbesteders gezamenlijk in dezelfde zin luidt (vgl. Hoge Raad 26 maart 1993, NJ 1993, 489). Nu Stedin echter slechts HHNK als gedaagde had opgeroepen in het onderhavige kort geding, was de consequentie volgens vaste jurisprudentie daarvan dat zij niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in haar vorderingen. Dat besliste de voorzieningenrechter dan ook.

Om Stedin niet helemaal zonder inhoudelijk oordeel naar huis te sturen, overweegt de rechter ten overvloede dat hij de vordering van Stedin, indien zij wèl ontvankelijk zou zijn geweest, had afgewezen. Daartoe gaat hij zeer summier in op de door Stedin aangevoerde argumenten ter ondersteuning van haar vordering tot primair heraanbesteding subsidiair herbeoordeling en concludeert dat haar stellingen geen stand houden.

Actueel