Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Gemeente aansprakelijk voor schade als gevolg van onterechte instandhouding voorkeursrecht

dinsdag 25 februari 2014

De gemeente Bunnik dient een aantal grondeigenaren een schadevergoeding te betalen omdat zij niet eerder is overgegaan tot vervallenverklaring van haar voorkeursrecht. Hierdoor konden deze eigenaren geen gevolg geven aan hun wil om de gronden aan een ontwikkelaar te verkopen die daarvoor € 25,- resp. € 23,- per m2 had willen betalen. De rechtbank Midden-Nederland heeft in haar vonnis van 19 februari 2014 geoordeeld dat de gemeente het verschil moet vergoeden tussen de misgelopen verkoopprijs (€ 25,- resp. € 23,- per m2) en de agrarische waarde (€ 6,50 per m2).

Relevante feiten

Een aantal grondeigenaren heeft in 2007 agrarische grond verkocht aan o.a. BAM Vastgoed B.V. voor € 25,- resp. € 23,- per m2 waarop sinds 2005 een voorkeursrecht op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten van de gemeente Bunnik rustte. In de koopovereenkomsten was bepaald dat de gronden zouden worden geleverd uiterlijk binnen twee weken nadat het gevestigde voorkeursrecht niet meer aan vervreemding in de weg zou staan, maar uiterlijk binnen zes maanden na inschrijving van de koopovereenkomsten in de openbare registers. De koopovereenkomsten zijn op 27 mei 2007 ingeschreven in de openbare registers.

Op 29 mei 2007 hebben de grondeigenaren het college van burgemeester en wethouders verzocht over te gaan tot vervallenverklaring van het voorkeursrecht. Daarop diende het college ingevolge artikel 5 lid 2 van de Wvg uiterlijk op 27 juni 2007 te beslissen. Het college heeft op 26 juni 2007 het verzoek tot vervallenverklaring afgewezen. Twee van de grondeigenaren hebben daartegen bezwaar en beroep aangetekend en hebben daarin van zowel de rechtbank als de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gelijk gekregen. Dit heeft geleid tot een nieuwe beslissing op bezwaar van 9 februari 2010, waarin het college heeft besloten het voorkeursrecht (met terugwerkende kracht) te laten vervallen op 26 juni 2007.

Onrechtmatige overheidsdaad

Verschillende grondeigenaren hebben zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de gemeente zich onrechtmatig jegens hen heeft gedragen, omdat zij vanwege het voorkeursrecht geen gevolg hebben kunnen geven aan hun wil om de gronden te verkopen en te leveren aan BAM. Daardoor hebben zij schade geleden die door de gemeente moet worden vergoed.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de gemeente onrechtmatig jegens de hiervoor genoemde twee eigenaren heeft gehandeld door het voorkeursrecht niet bij het primaire besluit vervallen te verklaren en dat zij dat op grond van artikel 5 lid 2 Wvg uiterlijk 27 juni 2007 wel had moeten doen.

Schade

De rechtbank is van oordeel dat de schade voor deze eigenaren het verschil is tussen de misgelopen verkoopprijs op het moment dat geleverd had kunnen worden en de agrarische waarde. Dat betekent dat de gemeente aan de één (€ 25,- minus € 6,50=) € 18,50 per m2 moet betalen en aan de ander (€ 23,- minus € 6,50 = € 16,50).

Formele rechtskracht

Alleen de twee grondeigenaren die zich hebben verzet tegen het primaire besluit van het college om het voorkeursrecht niet vervallen te verklaren hebben recht op schadevergoeding. Dat primaire besluit heeft jegens de andere grondeigenaren formele rechtskracht verkregen doordat zij niet hebben deelgenomen aan de bestuursrechtelijke procedure daartegen. Hierdoor heeft het besluit jegens hen als rechtmatig te gelden. De rechtbank overweegt daaromtrent dat de leer van de formele rechtskracht ook geldt indien een besluit met succes is aangevochten door iemand en dat besluit naar zijn aard jegens een ieder werkt (ABRvS 19 juni 1998, LJN:ZC2674). In de onderhavige zaak is ook sprake van een besluit met algemene werking. Doordat twee eigenaren zich bestuursrechtelijk hebben verzet tegen het gevestigde voorkeursrecht heeft de gemeente (uiteindelijk) besloten de aanwijzing tot het vestigen van het voorkeursrecht te laten vervallen op 26 juni 2007. Met terugwerkende kracht geldt het voorkeursrecht daardoor vanaf 27 juni 2007 ook niet meer voor de overige eigenaren. Daarmee staat echter niet vast dat het primaire besluit om het voorkeursrecht niet vervallen te verklaren ook onrechtmatig is geweest jegens deze overige eigenaren. Zij hebben zich immers juridisch gezien neergelegd bij het gevestigde voorkeursrecht. Nu zij geen gebruik hebben gemaakt van de met voldoende waarborgen omkleden bestuursrechtelijke rechtsgang, kunnen zij zich ook in deze civielrechtelijke procedure niet op de onrechtmatigheid van het niet vervallen verklaren van dat voorkeursrecht beroepen. De rechtbank heeft daarom de vordering van deze overige eigenaren afgewezen.

Meer informatie

Rb. Midden-Nederland 19 februari 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:626

Actueel