Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

De Hoge Raad geeft duidelijkheid over (de reikwijdte van) de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid Wro

donderdag 30 november 2017

In artikel 3.1, tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de bestemming van gronden binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw moet worden vastgesteld. Als de gemeenteraad niet voor het verstrijken van die periode opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld of een verlengingsbesluit heeft genomen, dan heeft dit geen consequenties voor de werking van het bestemmingsplan, maar vervalt wel de bevoegdheid tot het invorderen van rechten ter zake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan. Dit volgt uit de legessanctie zoals verankerd in 3.1, vierde lid Wro.

In een arrest van 17 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2877) geeft de Hoge Raad duidelijkheid over (de reikwijdte van) deze sanctie.

Wat was er aan de hand?

Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag hebben burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen én het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Hoewel de aanvraag is gedaan en in behandeling genomen meer dan tien jaar nadat het vigerende bestemmingsplan is vastgesteld, wordt aan vergunninghouder een bedrag aan leges in rekening gebracht.

Hoge Raad

In geschil of de leges terecht en tot het juiste bedrag zijn vastgesteld. De Hoge Raad oordeelt als volgt.

  1. Een redelijke, met doel en strekking van artikel 3.1, vierde Wro strokende uitleg van de legessanctie brengt met zich dat niet alleen de bevoegdheid tot invordering vervalt, maar ook de bevoegdheid tot het heffen van leges.
  2. Voor de toepassing van de legessanctie is maatgevend of de in artikel 3.1, vierde lid Wro genoemde termijn van tien jaar is verstreken ten tijde van het belastbare feit. In dit geval het in behandeling nemen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning.
  3. De legessanctie ziet niet uitsluitend op het in behandeling nemen van aanvragen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten in overeenstemming met het bestemmingsplan, maar ook op aanvragen waarin wordt verzocht om een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan (de buitenplanse afwijking). Het voor de toepasselijkheid van de legessanctie vereiste verband is gelegen in de omstandigheid dat de noodzaak om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo aan te vragen, voortvloeit uit de inhoud van het (te oude) bestemmingsplan.
  4. De leges worden geheven ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning. Uit het arrest blijkt dat het in behandeling nemen van zo’n aanvraag moet worden aangemerkt als één door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte dienst die verband houdt met het bestemmingsplan. De omstandigheid dat het gemeentebestuur in het kader van de verdere behandeling van de aanvraag werkzaamheden van verschillende aard moet verrichten en verschillende toetsingskaders moet hanteren, is in dit verband van geen belang.

Betekenis

Het arrest maakt duidelijk dat als een gemeente leges wil heffen vanwege het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning, het van belang is dat bestemmingsplannen tijdig worden geactualiseerd. Wordt niet (tijdig) aan de actualiseringsplicht voldaan, dan vervalt de bevoegdheid tot het heffen van leges. Dit zal (pas) anders worden als het wetsvoorstel Wijziging van de Wet ruimtelijke ordening en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (afschaffing actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen), dat (vooruitlopend op de Omgevingswet) voorziet in de afschaffing van de actualiseringsplicht voor bestemmingsplannen en de afschaffing van de legessanctie, in werking treedt. Dit wetsvoorstel (kamerstukken II, 2016-2017, 34 666, nr. 2) ligt echter nog ter behandeling voor bij de Tweede Kamer.

Gelet op het oordeel van de Hoge Raad dat:

  • het in behandeling nemen van een aanvraag om omgevingsvergunning moet worden aangemerkt als één door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte dienst die verband houdt met het bestemmingsplan, en
  • de omstandigheid dat het gemeentebestuur in het kader van de verdere behandeling van de aanvraag werkzaamheden van verschillende aard moet verrichten en verschillende toetsingskaders moet hanteren, in het kader van de legesheffing niet van belang is,

heeft de legessanctie een ruim bereik; de sanctie ziet niet alleen op de toetsing van de aanvraag aan het bestemmingsplan, maar óók op de toetsing aan de bouwverordening, het Bouwbesluit en (voor zover aanwezig) de redelijke eisen van welstand.
Tenslotte is van belang dat de legessanctie niet alleen betrekking heeft op het in behandeling nemen van aanvragen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten in overeenstemming met het bestemmingsplan, maar óók op aanvragen om omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan.

Meer informatie

Neem voor meer informatie contact op met Mark Tunnissen | E: mark.tunnissen@nysingh.nl | M: 06 12 64 52 14

Actueel