Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Meervoudig onderhandse aanbesteding: Fair-play beginsel verplicht tot standstill-termijn

maandag 17 maart 2014

In een uitspraak van 4 februari 2014 van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt geoordeeld dat de aanbestedende dienst in een onderhandse aanbesteding is onderworpen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de werking van de redelijkheid en billijkheid in precontractuele verhoudingen. In dat kader dient hij het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel jegens de inschrijvers in acht te nemen. Dit betekent onder andere dat de aanbestedende dienst niet kan afwijken van de door hemzelf in het kader van de aanbestedingsprocedure opgestelde spelregels. Doordat de aanbieding van de winnende inschrijver niet voldeed aan de voorgeschreven wijze van aanbieden (te weten per perceel) is diens inschrijving ongeldig en had niet aan deze partij gegund mogen worden.

Dat er inmiddels is gegund aan (en er dus een overeenkomst is gesloten met) deze ongeldige inschrijver staat er volgens de rechter niet aan in de weg om die gunning ongedaan te maken en de overeenkomst op te zeggen. Bij de afweging van belangen laat de voorzieningenrechter namelijk zwaar wegen dat de aanbestedende dienst heeft gehandeld in strijd met het fair-playbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Kern van het fair-playbeginsel is dat de overheid (hier als aanbestedende dienst) door haar optreden (of nalaten) op unfaire wijze de rechtspositie van een (rechts)persoon benadeelt. De aanbestedende dienst heeft een effectieve rechtsbescherming tegen de gunningsbeslissing in feite onmogelijk gemaakt, door er voor te kiezen om op dezelfde dag dat hij als aanbestedende dienst aan inschrijvers bekend maakt aan wie de opdracht wel of niet zal worden gegund, met de inschrijver aan wie het werk zal worden gegund een overeenkomst te sluiten. Omdat er geen sprake is van spoed die rechtvaardigt dat op een zo korte termijn een overeenkomst moest worden gesloten en de gegunde partij nog niet is overgegaan tot uitvoering van de opdracht (zodat aannemelijk is dat de beëindiging van de overeenkomst geen grote schade tot gevolg zal hebben) wordt de aanbestedende dienst bevolen om de gunning ongedaan te maken.

Hoewel op basis van artikel 2.127 Aanbestedingswet 2012 de verplichting om een standstill-termijn in acht te nemen wèl voor Europese, maar niet voor meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedures geldt, doen aanbestedende diensten er – gelet op deze uitspraak – bij een meervoudig onderhandse aanbesteding toch verstandig aan om zo’n termijn in acht te nemen. Hopelijk heeft de aanbestedende dienst, die in deze zaak betrokken was, contractueel goed geregeld dat hij zonder plicht tot schadevergoeding de overeenkomst mag beëindigen. Anders zou deze zaak nog wel eens een heel vervelend en vooral kostbaar vervolg voor de aanbestedende dienst kunnen krijgen.

Meer informatie

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-02-2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:1007

Actueel