Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Mogelijkheden uit te werken bestemming wel betrekken bij planvergelijking

maandag 3 februari 2014

In deze uitspraak bevestigt de Afdeling hoe bij een planvergelijking met een nog uit te werken bestemming in het oude planologische regime moet worden omgegaan. Bij de beoordeling van de mogelijkheden op grond van een nog uit te werken bestemming in het oude plan moet rekening worden gehouden met hetgeen ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe planologische regime ‘naar reële verwachting’ de invulling van de uit te werken bestemming zou zijn geweest.

Het college van de gemeente Noordenveld had een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van een vrijstelling ex art. 19 lid 1 WRO (oud) afgewezen en zich daarbij gebaseerd op het advies van de SAOZ. De SAOZ had het planologische regime van het bestemmingsplan vergeleken met dat van het vrijstellingsbesluit en is daarbij uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan inclusief de daarin opgenomen uitwerkingsregels. De rechtbank oordeelde echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2475), dat het college het besluit niet op de adviezen van de SAOZ had mogen baseren, omdat bij de planvergelijking ten onrechte is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van de in het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsregels.

Het college is tegen die uitspraak in hoger beroep gegaan, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State laat de uitspraak in stand. De Afdeling overweegt daartoe dat als gevolg van de uitwerkingsplicht, als bedoeld in art. 3.6 Wro, het vaststellen van een uitwerkingsplan niet slechts een toekomstige onzekere gebeurtenis is. Hoewel de uitwerkingsplicht bij een letterlijke lezing van artikel 6.1 Wro niet kan worden beschouwd als oorzaak van schade in de zin van die bepaling, laat dat onverlet dat sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aannemelijk is dat de uit te werken bestemming vroeg of laat zal worden uitgewerkt. Onder verwijzing naar de uitspraak van 17 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7707) oordeelt de Afdeling dat dit met zich brengt dat de mogelijkheden van de uit te werken bestemming bij de planvergelijking niet buiten beschouwing mogen worden gelaten. Met die mogelijkheden dient aldus rekening te worden gehouden dat nagegaan dient te worden wat ten tijde van de inwerkingtreding van het betrokken besluit naar redelijke verwachting de invulling van de uit te werken bestemming van de gronden zou zijn. In dat verband komt onder meer betekenis toe aan de uitwerkingsregels, aan de toelichting bij het bestemmingsplan en aan de mate waarin een en ander, naar aard en omvang, binnen de ruimtelijke kenmerken van de omgeving en het geldende planologische beleid past, aldus de Afdeling.

Meer informatie

ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:110

Actueel