Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Ongeval door een vorkheftruck in een loods. Deelname aan verkeer?

maandag 2 juli 2018

In de zaak die werd voorgelegd aan de Hoge Raad stond de vraag centraal of de gemaakte manoeuvre met een vorkheftruck, waardoor een ongeval plaatsvond, valt onder het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van de WAM-richtlijn. Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:877

Wat is er gebeurd?

Op 13 juni 2012 werd door verweerder in Frankrijk werkzaamheden verricht voor het bedrijf TOP Oignons S.r.l. (hierna: TOP). In dat kader werd een vorkheftruck gebruikt bij het plaatsen van een prefab betonnen elementen ten behoeve van de bouw van een uiendroogwand. De vorkheftruck was door TOP gehuurd van Techno West Services B.V. (hierna: TWS). In de tussen TOP en TWS gesloten huurovereenkomst was bepaald dat TWS zorg draagt voor een verzekering tegen het WAM-risico. TWS had ter uitvoering van de huurovereenkomst een Bedrijven Compact Polis (BCP) afgesloten bij Achmea. De BCP dekte wat het risico “Verkeer” betreft als verzekerde zaken “werktuig zelfrijdend”. Blijkens “Hoofdstuk 4: Verkeer” van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden vielen onder de dekking onder meer de aansprakelijkheid ingevolge de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorvoertuigen (hierna: WAM).

De betonnen elementen die geplaatst moesten worden waren zes meter lang, 1,20 meter breed en twintig cm dik en wogen elk drie ton. Er werd telkens één element met de heftruck van de voorraad gehaald en vervolgens vervoerd naar de plaats waar de elementen op elkaar gestapeld moesten worden. De bovenste rij elementen diende kort onder het dak van de loods geplaatst te worden, waardoor een voordien toegepaste werkwijze voor het plaatsen van de betonnen elementen niet mogelijk was. In verband daarmee is op de vorkheftruck een kist geplaatst, waaraan het betonnen element met lijmklemmen kon worden vastgemaakt en zo kon worden vervoerd. Hierdoor werd het zicht van de chauffeur van de vorkheftruck op de lepels van de vorkheftruck beperkt. Bij het naar voren rijden is de vorkheftruck met de lepels ervan in aanraking gekomen met een op de werkvloer staand niet gezekerd betonnen element. Het betonnen element is omgevallen en terecht gekomen op de benen van een door verweerder ingeschakelde persoon (hierna: het slachtoffer). Het slachtoffer heeft ten gevolge van dit ongeval blijvend letsel opgelopen. Zijn beide onderbenen zijn geamputeerd.

Eerste aanleg

De kantonrechter heeft de vorderingen van het slachtoffer jegens verweerder in de hoofdzaak toegewezen. In de vrijwaringsprocedure heeft de kantonrechter de vordering van verweerder jegens Achmea afgewezen, omdat de wijze waarop en de locatie waar de vorkheftruck werd gebruikt op 13 juni 2012 volgens de kantonrechter niet is te beschouwen als een gedraging die typisch is voor deelname aan het verkeer, waardoor er geen sprake is van WAM-schade.

Gerechtshof

Het hof is een andere mening toegedaan en oordeelt dat uit de toedracht van het ongeval volgt dat sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig in de zin van artikel 3 lid 1 WAM. Daarbij is het hof ervan uitgegaan dat een motorrijtuig in de zin van de WAM, in het onderhavige geval de vorkheftruck, bestemd is om gewoonlijk als vervoermiddel te worden gebruikt (HvJEU van 4 september 2014, C-162/13, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk)).
Het hof heeft vervolgens onderzocht of de vorkheftruck ten tijde van het ongeval als vervoermiddel diende. Op grond van de omstandigheden

  1. dat de manoeuvre werd uitgevoerd bij het vervoeren van een betonnen element waarmee elders in de loods een uiendroogwand werd opgebouwd en
  2. dat het ongeluk is ontstaan doordat de chauffeur bij het naar voren rijden van de vorkheftruck met de lepels daarvan in aanraking is gekomen met een op de vloer staand niet gezekerd betonnen element,

is het hof tot de slotsom gekomen dat de vorkheftruck tijdens het uitvoeren van de manoeuvre als vervoermiddel diende. Het hof heeft derhalve het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van verweerder jegens Achmea toegewezen.

Hoge Raad

In cassatie wordt tegen het oordeel van het hof opgekomen. Bij behandeling van de klachten stelt de Hoge Raad onder meer voorop dat:

  1. artikel 3 lid 1 WAM dient te worden uitgelegd conform de WAM-richtlijn, en dat;
  2. de vorkheftruck een motorrijtuig is in de zin van art. 1 WAM.

De vraag of een motorrijtuig wordt gebruikt om daarmee deel te nemen aan het verkeer of om de werktuigfunctie ervan te benutten, hangt volgens de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad verwijst voor de uitleg van het begrip ‘deelname aan het verkeer’ naar verschillende uitspraken van het HvJEU, waaronder onder meer de zaak Vnuk. In die zaak heeft het HvJEU met betrekking tot het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ overwogen:

“59 (…) dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn [thans art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn, HR] aldus moet worden uitgelegd dat het daarin vervatte begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” mede ziet op elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan. Zo kan dit begrip zien op het manoeuvre dat een tractor op de binnenplaats van een boerderij uitvoert om met de aanhangwagen waarmee deze tractor is uitgerust, een schuur binnen te rijden, zoals in het hoofdgeding, hetgeen de verwijzende rechter dient te controleren.”

De Hoge Raad verwijst verder naar het arrest in de zaak Torreiro, waarin omtrent het begrip ‘deelname aan het verkeer’ is overwogen:

“28 Uit bovenstaande overwegingen volgt dat artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin vervatte begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” niet beperkt blijft tot situaties in het wegverkeer, dat wil zeggen deelneming aan het verkeer op de openbare weg, maar dat onder dit begrip elk gebruik van een voertuig valt dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Vnuk, C‑162/13, EU:C:2014:2146, punt 59, en 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C‑514/16, EU:C:2017:908, punt 34).

29 Daarbij heeft het Hof gepreciseerd dat de motorrijtuigen bedoeld in artikel 1, punt 1, van de eerste richtlijn, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103, onafhankelijk van hun kenmerken bestemd zijn om gewoonlijk als vervoermiddel te dienen, zodat dit begrip ieder gebruik van een voertuig als vervoermiddel omvat (arrest van 28 november 2017, Rodrigues de Andrade, C‑514/16, EU:C:2017:908, punten 37 en 38).”

Volgens de Hoge Raad merkt het HvJEU de ‘deelneming aan het verkeer’ aan als de gebruikelijke functie van een voertuig in de zin van de richtlijn. Het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ ziet op ieder gebruik van een voertuig dat overeenstemt met die gebruikelijke functie. Telkens als het voertuig als een vervoermiddel wordt gebruikt, is sprake van deelneming aan het verkeer, aldus de Hoge Raad. Dat staat volgens de Hoge Raad er niet aan in de weg dat een voertuig in bepaalde omstandigheden niet wordt gebruikt in de gebruikelijke functie maar als werktuig.

Het hof is in haar arrest tot het oordeel gekomen dat de vorkheftruck tijdens het uitvoeren van de manoeuvre als vervoermiddel diende en niet werd gebruikt om de werktuigfunctie te benutten. Volgens de Hoge Raad geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In cassatie kan het oordeel – in verband met de waarderingen van feitelijke aard – verder niet op juistheid worden onderzocht. Het oordeel is volgens de Hoge Raad genoegzaam gemotiveerd en is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.

Slotsom

De slotsom is dat wanneer een voertuig als een vervoermiddel wordt gebruikt en derhalve niet wordt gebruikt om enkel de werktuigfunctie te benutten, er sprake is van ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van de WAM-richtlijn. Of sprake is van ‘deelneming aan het verkeer’ is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval en zal per casus beoordeeld moeten worden.

Meer informatie

Neem voor meer informatie over dit of andere aansprakelijkheidsrechtelijke onderwerpen contact op met Mariëlle Journée, E: marielle.journee@nysingh.nl | M: 06 23 65 24 99.

Actueel