Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Planschade: vrijstellingsbesluit en nieuwe bestemmingsplan één planologisch regime?

dinsdag 18 februari 2014

In deze planschadekwestie kwam aan de orde de vraag of een vrijstellingsbesluit ex artikel 19 WRO en een direct opvolgend bestemmingsplan in het kader van de planvergelijking als één planologisch regime dienden te worden beschouwd.

Door verzoeker om planschade werd gesteld dat hij schade had geleden ten gevolge van een vrijstelling ex artikel 19 WRO alsmede ten gevolge van een nieuw (na verlening van de vrijstelling) onherroepelijk geworden bestemmingsplan. Deze plannen zouden hebben geleid tot waardevermindering van de woonboot van verzoeker.

De rechtbank heeft de StAB verzocht een planologische vergelijking te maken. De StAB heeft daarbij, anders dan de door de gemeente ingeschakelde SAOZ, twee vergelijkingen gemaakt. De eerste vergelijking was tussen het oude bestemmingsplan en het vrijstellingsbesluit. De tweede vergelijking was tussen het oude bestemmingsplan inclusief de verleende vrijstelling en het nieuwe bestemmingsplan. De StAB is tot de conclusie gekomen dat de verleende vrijstelling in vergelijking met het oude bestemmingsplan tot een waardevermindering van de woonboot heeft geleid als gevolg van een planologische verslechtering. Bij de vergelijking tussen het oude bestemmingsplan inclusief de vrijstelling en het nieuwe bestemmingsplan werd geconcludeerd dat geen planologische verslechtering is opgetreden. Het planologische nadeel werd in het nieuwe bestemmingsplan gecompenseerd door het vervallen van bepaalde waarde verminderende gebruiksmogelijkheden. De rechtbank heeft deze conclusies overgenomen en zelf in de zaak voorzien. Aan verzoeker is toegekend een vergoeding wegens het planologische nadeel ondervonden als gevolg van het vrijstellingsbesluit.

Bij de Afdeling werd door het college vervolgens (met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2004, nr. 200300472/1) betoogd dat de rechtbank ten onrechte het vrijstellingsbesluit als een zelfstandige schadeoorzaak heeft betrokken in de planvergelijking. Volgens het college vormen het vrijstellingsbesluit en het nieuwe bestemmingsplan één planologisch regime, dat dient te worden vergeleken met het oude bestemmingsplan. In dat geval zou geconcludeerd dienen te worden dat er geen sprake was van een planologisch nadeel.

De Afdeling overweegt dat indien hetgeen mogelijk is gemaakt bij een met toepassing van artikel 19 van de WRO verleende vrijstelling daarna wordt bevestigd in een bestemmingsplan, in beginsel moet worden uitgegaan van de vrijstelling als het schadeveroorzakende besluit. Onder bepaalde omstandigheden moeten een vrijstelling en een direct daarop volgend bestemmingsplan in het kader van de planvergelijking echter als één regime worden gezien. In dit geval was daar volgens de Afdeling geen aanleiding voor.

De omstandigheid dat ten tijde van de verlening van de vrijstelling al een nieuw bestemmingsplan in procedure was dat mede zag op hetgeen mogelijk werd gemaakt door de vrijstelling, is daarvoor volgens de Afdeling op zich onvoldoende. Anders dan in de zaak waarop de uitspraak van 7 april 2004 betrekking heeft, deden zich in deze zaak geen omstandigheden voor die leiden tot het oordeel dat het vrijstellingsbesluit en het nieuwe bestemmingsplan als één planologisch regime moeten worden beschouwd. Van belang voor de Afdeling lijkt daarbij vooral te zijn dat in deze kwestie het nieuwe bestemmingsplan aanzienlijk ruimere gebruiksmogelijkheden bood dan hetgeen mogelijk werd gemaakt door de verleende vrijstelling. De Afdeling verklaart het hoger beroep van het college ongegrond.

Meer informatie

ABRvS 8 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:6

Actueel