Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW)

maandag 13 februari 2017

Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW moet aan vijf voorwaarden zijn voldaan: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van die daad aan de dader, schade, causaal verband tussen de daad en de schade en relativiteit (artikel 6:163 BW). De relativiteitseis houdt in dat de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de schade zoals die zich heeft voorgedaan.

Gerechtshof Amsterdam 20 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5484

Dit arrest laat zien dat ook in het geval een partij onrechtmatig heeft gehandeld, dit niet zonder meer betekent dat alle als gevolg daarvan optredende schade voor vergoeding in aanmerking komt. Als niet ook wordt voldaan aan de relativiteitseis, is van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW geen sprake.

Casus

TCC drijft een retail-marketingonderneming. TCC heeft eind 2013, ten behoeve van klant Y, circa 150.000 snijplanken van het merk X laten produceren in China.

Begin 2014 worden enkele snijplanken in opdracht van Y getest. Uit die onderzoeken blijkt dat de snijplanken niet voldoen aan de eisen van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1935/2004, met mogelijke gezondheidsrisico’s tot gevolg. TCC laat nadien nogmaals een snijplank onderzoeken, door een ander instituut. Geconcludeerd wordt dat de geteste snijplank bij normaal of te verwachten gebruik bestanddelen afgaf aan levensmiddelen in hoeveelheden die voor de gezondheid van de mens gevaar konden opleveren.

Naar aanleiding van de rapporten besluit TCC over te gaan tot vernietiging van de partij snijplanken. Half juni 2014 geeft TCC daartoe opdracht aan haar vaste logistieke partner A. TCC vermeldt daarbij als reden voor de vernietiging dat het ging om beschadigde (“damaged”) producten. TCC had met A een raamovereenkomst en had A ook eerder opdracht verstrekt tot het vernietigen van voorraden. A geeft vervolgens opdracht aan een derde, Z, om de snijplanken te vernietigen.

Giftige snijplanken niet vernietigd

Achteraf is gebleken dat Z de snijplanken niet heeft vernietigd, maar ze op of rond 4 juli 2014 heeft verkocht aan een derde. Via een keten van transacties is (een deel van) de snijplanken uiteindelijk  terechtgekomen bij GSP. Op haar beurt heeft GSP de snijplanken doorverkocht aan vier partijen.

Nadat bleek dat de planken vermoedelijk giftige stoffen bevatten, wordt GSP door haar afnemers aansprakelijk gesteld. GSP stelt vervolgens TCC aansprakelijk voor de door haar geleden en nog te lijden schade en spreekt haar in rechte aan.

GSP stelt dat TCC onrechtmatig heeft gehandeld door niet te verhinderen dat de snijplanken in het economisch verkeer zijn gebracht, terwijl zij wist dat deze een gevaar voor de gezondheid opleverden. Daarnaast had TCC volgens GSP zelf meer toezicht moeten houden op de vernietiging, toen haar bekend werd dat deze was uitbesteed aan Z. GSP stelt voorts dat TCC onzorgvuldig heeft gehandeld door de vernietigingsopdracht aan A te geven in plaats van aan een gecertificeerd vernietigingsbedrijf, althans heeft nagelaten er op toe te zien dat A een gecertificeerd vernietigingsbedrijf zou inschakelen.

Daar gaat het Hof echter niet in mee. TCC mocht in de gegeven omstandigheden de vernietiging van de snijplanken uitbesteden aan haar vaste logistieke partner A. TCC had geen reden er aan te twijfelen dat A de opdracht tot vernietiging naar behoren zou uitvoeren. Het feit dat TCC er op een zeker moment mee bekend was dat de vernietigingsopdracht was uitbesteed aan Z, maakt dat niet anders. Er waren geen aanwijzingen dat Z zich niet van haar taak zou kwijten en dus voor TCC aanleiding hadden moeten zijn maatregelen te treffen of de vernietiging zelf te controleren.

Onvolledige opdrachtverstrekking

GSP klaagt voorts dat TCC onzorgvuldig heeft gehandeld, door bij de vernietigingsopdracht niet aan A te melden dat de snijplanken mogelijk een gevaar voor de gezondheid opleverden. Dat verwijt is terecht, aldus het Hof.

Op het moment dat TCC aan A de opdracht tot vernietiging verstrekte, wist zij dat de snijplanken mogelijk een gevaar voor de gezondheid opleverden. TCC had zich daarom moeten realiseren dat die informatie van belang was voor de wijze waarop A de vernietiging van de snijplanken ter hand zou nemen. Het ligt immers voor de hand dat A strikter zou toezien op de daadwerkelijke vernietiging van de snijplanken, indien zij wist dat deze mogelijk een gezondheidsgevaar opleverden. TCC heeft daarom onvoldoende zorgvuldig gehandeld door bij de opdrachtverstrekking aan A daarvan geen melding te maken, maar slechts te vermelden dat sprake was van “beschadigde producten”.

Dit leidt er echter niet toe dat de door GSP gestelde schade voor vergoeding door TCC in aanmerking komt. Hiervoor is volgens artikel 6:163 BW tevens vereist dat de door TCC geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals die door GSP is geleden.

Het onrechtmatig handelen van TCC bestaat er in dit geval uit dat TCC de mogelijke gezondheidsrisico’s bij het verstrekken van de vernietigingsopdracht niet aan A heeft gemeld en dus onvoldoende heeft gedaan om te voorkomen dat de gezondheid van gebruikers van de snijplanken daadwerkelijk in gevaar zou kunnen komen. De door TCC geschonden zorgvuldigheidsnorm strekt tot voorkoming van gezondheidsschade bij de gebruikers van de snijplanken. TCC hoefde er noch bij het geven van de vernietigingsopdracht aan A, noch toen bekend werd dat de vernietiging werd uitgevoerd door Z, op bedacht te zijn dat de snijplanken in strijd met de vernietigingsopdracht zouden worden doorverkocht en dat GSP als uiteindelijke verkoper van de snijplanken geconfronteerd zou worden met claims van haar afnemers.

Strekking geschonden zorgvuldigheidsnorm

Het feit dat TCC ten onrechte niet aan A heeft gemeld dat de snijplanken mogelijk een gevaar voor de gezondheid opleverden kan niet tot gevolg hebben dat zij de door GSP geleden schade dient te vergoeden, want de daarmee door TCC geschonden zorgvuldigheidsnorm strekt niet tot bescherming tegen de zuivere vermogensschade zoals die uiteindelijk door GSP is geleden. De vordering van GSP stuit hier op af.

Meer informatie

Neem voor meer informatie over dit artikel of andere aansprakelijkheidsrechtelijke onderwerpen contact op met mr. Saskia Odijk, advocaat en aansprakelijkheidsrechtspecialist bij Nysingh advocaten – notarissen, E: saskia.odijk@nysingh.nl| T: 038 – 4 259 253 | M: 06 53 16 29 88

Actueel