Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Toepassingsbereik hangmat-arrest (nog) niet verder uitgebreid

dinsdag 15 maart 2016

HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162

Kern van het arrest

Uit het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:162) blijkt dat een medebezitter/-gebruiker van een dier de voor hem door het dier ontstane schade niet kan verhalen op een andere medebezitter/gebruiker.

Achtergrond

De casus die aan deze uitspraak ten grondslag ligt, is de volgende. Een man en vrouw drijven samen een manege. De onderneming heeft de vorm van een vennootschap onder firma (vof). De man en vrouw zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Tijdens het geven van paardrijles door de vrouw vertoont één van de paarden een schrikreactie en loopt daarbij de vrouw omver. Voor het letsel houdt de vrouw haar man als mede-eigenaar en medebedrijfsmatig gebruiker van het paard op grond van de artikelen 6:179 en 6:181 BW voor 60% (zijn aandeel in de vof) aansprakelijk. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de vof wijst de aansprakelijkheid af.

In de procedure die tussen partijen volgt, stelt de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De eerste prejudiciële vraag is of de zogenaamde hangmatjurisprudentie ook van toepassing is tussen medebezitters van dieren. De tweede prejudiciële vraag is of op grond van art. 6:181 BW aansprakelijkheid kan worden gevestigd jegens een andere bedrijfsmatige gebruiker van een dier.

Hangmatarrest

Het hangmatarrest waarbij de onderhavige uitspraak aanknoopt, dateert van 8 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM6095) en heeft veel stof doen opwaaien. De Hoge Raad heeft daarin geoordeeld dat de medebezitter van een gebrekkige opstal (in dat geval een woning) op grond van art. 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade die een andere medebezitter als gevolg van dat gebrek lijdt. Daarbij moet overigens de benadeelde medebezitter wel zelf dat gedeelte van de door hem geleden schade dragen dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal.

Waarom wordt deze regel niet doorgetrokken naar medebezitters van dieren?
Het oordeel van de Hoge Raad, dat de regel uit het hangmatarrest niet kan worden doorgetrokken naar medebezitters van dieren, is vooral gebaseerd op de grondslag van de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bezitter van een dier zoals geregeld in art. 6:179 BW. Die grondslag is er in gelegen dat de bezitter om hem moverende reden het dier houdt en daarmee voor derden gevaren schept in verband met de onberekenbare krachten die de eigen energie van het dier als levend wezen oplevert. Daarmee is de aard van het risico verbonden aan het houden van dieren duidelijk anders dan het risico verbonden aan een opstal, welk laatste risico voor een medebezitter immers vaak niet kenbaar is. De (mede)verantwoordelijkheid van de medebezitter voor het gevaar speelt daarmee volgens de Hoge Raad in geval van dieren een aanzienlijk sterkere rol dan bij de aansprakelijkheid voor opstallen het geval is. Dit brengt mee dat de maatschappelijke wenselijkheid van bescherming van benadeelden tegen het gevaar dat het houden van dieren meebrengt, niet zonder meer ook geldt voor de benadeelde medebezitter. Deze is immers mede verantwoordelijk voor het scheppen van dat risico en heeft ook bewust bijgedragen aan dat kenbare gevaar waartegen art. 6:179 BW bescherming biedt. Van een medebezitter mag dan ook worden verwacht dat hij zich voor dat risico verzekert. Daaraan voegt de Hoge Raad nog toe dat het voor de hand ligt dat schade veroorzaakt door dieren regelmatig voorkomt en dat dit, als medebezitters daaraan aanspraken jegens elkaar kunnen ontlenen, tot een toename van claims kan leiden die moeilijk te beoordelen is. Alle belangen afwegende komt de Hoge Raad tot het oordeel dat het niet redelijk of maatschappelijk wenselijk is dat art. 6:179 BW ook aansprakelijkheid vestigt jegens medebezitters van een dier.

Dit is naar het oordeel van de Hoge Raad – en dat is het antwoord op de tweede prejudiciële vraag – niet anders als het schadetoebrengende dier wordt gebruikt in een door de medebezitters gezamenlijk uitgeoefend bedrijf.

Wat leren we hiervan?

De grond om de hangmatrechtspraak niet uit te breiden naar medebezitters/medebedrijfsmatig gebruikers van dieren wordt hiermee door de Hoge Raad gezocht in de aard van het risico waarvoor de aan de orde zijnde kwalitatieve aansprakelijkheid bestaat en de verzekerbaarheid van dat risico. Aan de hand daarvan zullen ook eventuele nog komende vragen naar het al dan niet uitbreiden van de hangmatrechtspraak moeten worden beantwoord.

Actueel