Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Kan het “topcoating arrest” van de Hoge Raad van 15 maart 2015 (S&S 2009/132) op de CAR polis worden toegepast?

dinsdag 12 februari 2019

Op 11 maart 2005 heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen over de dekking van zaakschade onder een AVB polis. Ik schreef daar eerder over in AV&S: “Beschadigde bouwstoffen in AVB en CAR-verzekering” (AV&S 2005, 36).

Zaakschade gedekt onder AVB polis?

In die zaak was de leverancier van topcoating aansprakelijk gehouden voor schade aan de door hem geleverde topcoating, die met kraters en vacuolen was uitgehard door een fout in de primer waar de toplaag op was aangebracht. De vraag was of die schade als zaakschade onder een AVB polis was gedekt. In dat geval overwoog de Hoge Raad:
“Dit middel is terecht voorgesteld. Voor het antwoord op de vraag of de door de primer veroorzaakte onregelmatigheden in de topcoatings beschadigingen in de zin van de polisvoorwaarden zijn, is beslissend of de stoffelijke structuur van de natte topcoating zelf aanvankelijk gaaf was, dat wil zeggen voldeed aan alle kenmerken en eisen om te kunnen uitharden tot een verflaag zonder gebreken.
Het oordeel van het Hof dat dit nimmer het geval is geweest is onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat, zoals ook het Hof tot uitgangspunt heeft genomen, eerst nadat de topcoatings op de primer waren aangebracht, lucht vanuit de primer in die toen nog natte, stoffelijk goed in de zin van artikel 1 onder 7 van de polisvoorwaarden vormende, coatings is binnengedrongen en vervolgens daarin tijdens het drogen pinholes, kraters en vacuolen heeft doen ontstaan. Bij voormeld uitgangspunt kan immers slechts worden geoordeeld dat de topcoatings aanvankelijk toen zij nog nat waren gaaf waren en nadien tijdens het drogen door een van buiten komende oorzaak zijn beschadigd.”

Zaakschade gedekt onder CAR polis?

Inmiddels is een vergelijkbare schade onder een CAR polis gevorderd bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank heeft de vordering afgewezen in haar vonnis van 7 november 2018: (ECLI:NL:RBROT:2018:9314. Het ging om de volgende casus:
Het schildersbedrijf Consilium (hierna: “de schilder”) heeft op zich genomen om de betonnen vloer van de buitenbaan en de krabbelbaan van het Jaap Eden IJscomplex te Amsterdam van een drielaags coatingsysteem te voorzien, overeenkomstig een verfadvies. Na het gereedkomen van de laatste toplaag op 30 juni 2015, bleek op 15 juli 2015 blaasvorming in de toplaag op te treden. Op de plaats van de blaasvorming is de toplaag plaatselijk geschuurd en opnieuw geverfd. Op 1 oktober 2015 is de ijsbaan in gebruik genomen en heeft de eindcontrole na het schaatsseizoen, op 1 april 2016 plaatsgevonden. Uit een rapport bleek dat op de helft van het aantal tegels een toplaag is aangebracht met het voorgeschreven gebruik van 200 tot 250 g/m2 en dat de andere helft was voorzien van een dunnere toplaag met een verbruik van ongeveer 100 g/m2. Na uitharding van de toplaag bleek in de dikke lagen een soort schuimvorming te zijn opgetreden met veel blaasjes, terwijl dat bij de dunnere toplaag niet het geval was. Nader onderzoek leverde op dat de verzekerde de toplaag drie maal zo dik had aangebracht dan de aanbevolen laagdikte en dat door de relatieve hoge temperaturen op 30 juni 2015 aan de bovenzijde van een dergelijke dikkere toplaag waarschijnlijk al een filmlaag ontstaan is, waardoor het oplosmiddel niet meer eenvoudig uit de toplaag kon uitdampen. Hierdoor ontstonden in de toplaag kratertjes aan het oppervlak en ingesloten poriën. Ter plaatse van de kratertjes en de poriën zijn er door het tijdelijk ingesloten oplosmiddel drukkrachten op het hechtvlak tussen de toplaag en de tussenlaag uitgeoefend en heeft de toplaag over een groter oppervlak losgelaten. Via de kratertjes zal vervolgens ook regenwater onder de losgelaten toplaag terecht zijn gekomen, waardoor deze nog verder heeft losgelaten (door drukkrachten tijdens het uitdampen). Vooralsnog is uit de informatie die de expert van de verzekerde heeft ontvangen niet gebleken dat mogelijk ingesloten schuurstof onder de toplaag heeft geleid tot een verminderde aanhechting van deze toplaag.

Het werk van de schilder was verzekerd onder de CAR-verzekering bij HDI. De verzekerde stelt zich op het standpunt dat zich een onzeker evenement heeft voorgedaan gedurende de bouwtermijn, waarbij de toplaag van het drielaags coatingsysteem vanaf het begin aan goed is geweest, zodat sprake is van zaakschade in de zin van de CAR-polis. HDI stelt zich –voor zover van belang- op het standpunt dat er geen sprake is van zaakschade omdat de ijsbaan nooit gaaf is geweest.

Zaakbeschadiging door de schilder bewezen?

De rechtbank overweegt dat de kern van het geschil is de vraag of sprake is van zaakbeschadiging zoals bedoeld in de polis. Dat sprake is van zaakbeschadiging zal door de schilder moeten worden bewezen. Beslissend is volgens de rechtbank of de stoffelijke structuur van de natte toplaag zelf aanvankelijk gaaf was, dat wil zeggen, voldeed aan alle kenmerken en eisen om te kunnen uitharden tot een verflaag zonder gebreken. De rechtbank constateert dat uit de rapporten blijkt dat binnen twee weken nadat de toplaag was aangebracht blaasjes in de toplaag zijn ontstaan. De oorzaak daarvan is volgens beide experts het feit dat de verflaag te dik is aangebracht, waardoor het oplosmiddel niet meer eenvoudig uit de toplaag kon uitdampen en kratertjes zijn ontstaan. Op de plaats van deze kratertjes zijn door het tijdelijke ingesloten oplosmiddel drukkrachten op het hechtvlak tussen de toplaag en de tussenlaag uitgeoefend en heeft de toplaag over een groot oppervlak losgelaten. De rechtbank oordeelt dat hieruit voortvloeit dat nooit een gave (in de zin van niet gebrekkige) toplaag in wording op de ijsbaan aanwezig is geweest. De voorwaarde voor een natte verflaag om zich te vormen en uit te harden tot een gave verflaag is dat de verflaag op een juiste wijze wordt aangebracht en dat er vervolgens geen blaasvorming optreedt. Volgens de rechtbank is de toplaag nooit gaaf, respectievelijk niet gebrekkig geweest en blijkt nu juist met een gebrek te zijn geboren, zodat gesproken kan worden van een mislukt productieproces. Nu de toplaag nooit intact is geworden, is de toplaag ook nooit deel geworden van het werk. Hierdoor is geen sprake geweest van beschadiging.

Nadere beschouwing

Deze zaak verschilt dus wel van de door de Hoge Raad besliste kwestie. In dit geval was immers geen sprake van een onjuiste primer waardoor de toplaag onregelmatigheden is gaan bevatten, maar van een verkeerde verwerking van de toplaag zelf. Het onjuist verwerken van de toplaag kan moeilijk als een van buiten komende oorzaak worden gezien. Dat betekent dat het arrest daarom al niet op deze casus kan worden toegepast. De opmerking van de rechtbank dat de toplaag “met een gebrek is geboren” lijkt me op zichzelf juist, evenals de conclusie dat – in zoverre – gesproken kan worden van een ”mislukt productieproces”. De opmerking “Nu de toplaag nooit intact is geworden is de toplaag ook nooit deel geworden van het werk” volgt daar mijns inziens echter niet zonder meer uit. Het is immers heel wel denkbaar dat een toplaag weliswaar gebrekkig uithardt, maar wel (een gebrekkig) deel van het werk wordt. Het lijkt er in dit geval ook op dat dat feitelijk gebeurd is: immers, de expert heeft geconstateerd dat de toplaag door ingesloten drukkrachten over een groter oppervlak heeft losgelaten en verder nog meer heeft losgelaten. Dat loslaten zou nu juist wel als beschadiging (als gevolg van het gebrek) kunnen worden gezien. De schilder had niet beschadiging van de vloer (of van het drielaags coatingsysteem) gevorderd, maar heeft de vordering kennelijk beperkt tot de toplaag van het drielaags coatingsysteem. Hij stelt dat die toplaag van het begin af aan goed is geweest en dat sprake van zaakschade in de zin van de CAR-polis zou zijn. De rechtbank beperkt haar beoordeling dan ook tot de toplaag zelf en constateert dat deze niet beschadigd is.
Overigens is wel opmerkelijk dat HDI het heeft over een “ijsbaan” die nooit gaaf is geweest, Het arrest Nieuw Rotterdam/Obdeijn (Hoge Raad 27 juni 1997, RvdW 1997, 154) heeft nu juist tot consequentie dat voor de vraag of een zaak beschadigd is, niet noodzakelijk is dat die zaak zonder enig gebrek tot stand is gekomen; een gebrekkige zaak kan wel degelijk alsnog beschadigd raken, ofwel als gevolg van het gebrek, dan wel door een andere oorzaak. Het is goed om onder ogen te zien dat het in het arrest van de Hoge Raad ging over de vraag of sprake is van beschadiging in de situatie dat een natte topcoating door een van buiten komende oorzaak op een ongewenste wijze uithard. Daarbij acht de Hoge Raad relevant of die natte coating zonder die van buiten komende oorzaak deugdelijk zou zijn uitgehard. Dat in dat geval de eis wordt gesteld dat die natte topcoating gaaf en zonder gebrek was, is logisch omdat een natte coating met een gebrek logischerwijs leidt tot een uitharding met een ongewenst resultaat.

Meer informatie

Neem voor meer informatie over dit of andere aansprakelijkheidsrechtelijke onderwerpen contact op met Tjalling Dorhout Mees, E: tjalling.dorhoutmees@nysingh.nl| T: 038 425 92 93.

Actueel