Een zaak beperkt zich niet altijd tot één rechtsgebied. Wij dus ook niet.

Verzekeringsfraude en de verwijzingsregisters, vergelijkbare zaken, verschillende uitkomst

donderdag 7 december 2017

Op 24 en 27 november 2017 zijn twee kort geding uitspraken gepubliceerd waarin de (voormalig) verzekerde verwijdering van zijn gegevens uit de bekende (fraude)registers eiste. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2017:6091) oordeelde dat opname in de registers mocht plaatsvinden, terwijl de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2017:13654) oordeelde dat verzekeraar de verwijzing ongedaan moest maken. De uitspraken laten zien dat niet lichtvaardig tot opname in de registers mag worden overgegaan en dat fraude aannemelijk moet zijn. In deze bijdrage wordt kort ingegaan op de relevante verschillen en overeenkomsten.

De norm voor opname in frauderegisters

De rechtbank Gelderland overwoog dat vereist is dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de gedragingen in voldoende mate moeten vaststaan. De rechtbank Gelderland baseerde zich hierbij op een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:4259).  De rechtbank Den Haag hanteert (weliswaar niet op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2009:BH4720), maar op basis van lagere rechtspraak ) dezelfde norm. Terecht voegt de rechtbank Den Haag daar nog aan toe dat geen uitgebreid nader onderzoek naar de feiten gedaan kan worden en er geen plaats is voor nadere bewijsvoering. Geconcludeerd kan worden dat dezelfde norm wordt gehanteerd.

De vaststaande feiten en beoordeling

Behoudens het feit dat in beide gevallen aanrijdingsschade werd geclaimd, lopen de feiten die door de kort geding rechter werden vastgesteld en de uitkomsten van beoordelingen van de rechter uiteen.

Foutmeldingen en tegenstrijdige verklaringen

De zaak bij de rechtbank Gelderland liep goed af voor verzekeraar Achmea (en mijn kantoor-genoot die verzekeraar bijstond). Tijdens de zitting trok de verzekerde een deel van zijn schade-melding in. Bovendien gaf de boordcomputer van de auto aan dat foutmeldingen in dit systeem niet tegelijk waren opgetreden en legde verzekerde tegenstrijdige verklaringen af ten aanzien van de vraag wie na het ongeval nog in zijn auto gereden had. Verder trof de verzekeraar afwijkende en defecte zekeringen aan die het defect van enkele onderdelen van de auto verklaarden maar niet in verband gebracht konden worden met aanrijdingsschade. De conclusie was dan ook dat Achmea verzekerde mocht opnemen in de registers. De rechtbank Gelderland besliste tot slot nog dat de verzekeringsovereenkomst beëindigd mocht worden en geen verklaring voor recht gegeven kon worden omdat dit niet thuis hoort in een kort geding.

Aanrijding in scene gezet?

De zaak bij de rechtbank Den Haag liep daarentegen goed af voor verzekerde. Verzekeraar Nationale Nederlanden had ten eerste gesteld dat de aanrijding, als gevolg waarvan de schade was ontstaan, in scene was gezet. Omdat Nationale Nederland toegaf dat de lezing van de feiten van verzekerde onaannemelijk maar niet uitgesloten was, oordeelde de voorzieningenrechter dat niet voldoende is vast komen te staan dat de aanrijding in scene is gezet. Ten tweede had Nationale Nederlanden gesteld dat de betrokken auto al voor de aanrijding schade vertoonde, terwijl verzekerde anders verklaard zou hebben. Ook dit tweede argument slaagt niet omdat verzekerde niet met zoveel woorden verklaarde dat de auto schadevrij was geweest (onmiddellijk) voorafgaande aan de aanrijding. Ten derde heeft verzekerde verklaard dat de motor zou zijn vervangen en heeft de verzekerde ter zake een factuur verstrekt. Uit onderzoek blijkt weliswaar dat van een vervangen motor geen sprake was omdat slechts onderdelen van de motor vervangen waren, daaruit blijkt nog niet dat verzekerde Nationale Nederlanden bewust heeft willen misleiden. De voorzieningenrechter oordeelde dan ook dat verzekerde uit de registers geschrapt moest worden en legde hiertoe zelfs een dwangsom op.

Conclusies

Vanzelfsprekend zijn de feiten die aan de hierboven genoemde uitspraken ter grondslag liggen niet gelijk. Wel kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

  • de norm voor vermelding in de registers is streng; er moet meer zijn dan een redelijk vermoeden van schuld
  • aan deze norm kan voldaan worden, maar verzekeraar moet aannemelijk maken dat sprake is van fraude, zonder dat nader onderzoek nodig is
  • wanneer verzekerde andere verklaringen kan geven ten aanzien van verdacht handelen, spreekt dat snel in (beslissende mate in) zijn voordeel
  • verzekeraar moet goed afwegen of omstandigheden worden opgeworpen die niet voldoen aan de normen die in kort geding (en deze zaken in het bijzonder) gesteld worden, omdat deze de zaak al snel “inkleuren”.

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Stijn de Zwart, E: stijn.dezwart@nysingh.nl | T: 038 425 91 56 | M: 06 51 21 98 87.

Actueel