Een vrouw neemt deel aan een door een manege met Fjordenpaarden georganiseerde en door deze manage begeleide groepsrit te paard door het bos.

Tijdens deze bosrit passeert een mountainbiker de groep, waardoor de paarden in galop raken. De vrouw valt hierbij van het paard en zij loopt ernstig letsel op. De vrouw stelt de manege aansprakelijk en de manege roept op haar beurt haar verzekeraar Nationale Nederlanden (NN) in vrijwaring op. NN weigert dekking te verlenen met een beroep op haar polisvoorwaarden, in het bijzonder de verhuurclausule.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt in een op 1 februari 2022 gewezen arrest (ECLI:NL:GHSHE:2022:249) dat een beroep op de verhuurclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is wegens het ontbreken van causaal verband met het ongeval.

Eerste aanleg

Uit het arrest van het hof blijkt dat de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 januari 2021 heeft geoordeeld dat NN gehouden is dekking te verlenen. Op 24 maart 2021 heeft deze rechtbank tussentijds hoger beroep toegelaten tegen het eerstgenoemde vonnis. Deze tussenvonnissen zijn niet gepubliceerd.

Hoger beroep

Het hof zet in haar beoordeling eerst de relevante polisvoorwaarden op een rij. De polisvoorwaarden regelen kortgezegd dat paardrijles dient plaats te vinden onder leiding van een gediplomeerd instructeur of een instructeur in opleiding (rijlesclausule).

 

Bij verhuur geldt de eerdergenoemde eis eveneens én dient de huurder te beschikken over een FNRS-diploma, KNHS lidmaatschapskaart of een ruiterbewijs van de Stichting Recreatie Ruiter (verhuurclausule).

Rijles of verhuur

Vervolgens beoordeelt het hof of sprake is van rijles of verhuur. Zoals uit het voorgaande blijkt is het verschil tussen rijles en verhuur relevant omdat in het geval van verhuur de extra eis wordt gesteld dat de huurder kortgezegd al kan rijden.

 

NN meent dat sprake is van uitsluitend of ook verhuur waardoor de strengere verhuurclausule van toepassing zou zijn. De manege meent dat sprake was van enkel rijles in de bossen omdat de aanwezige instructeur gedurende de bosrit de juiste houdingen toont, instructies geeft en voorop rijdt om het niveau en vertrouwen van de ruiters te bevorderen.

 

Het hof oordeelt dat in elk geval ook sprake is van verhuur waardoor de verhuurclausule van toepassing is.

 

Primaire dekkingsomschrijving of garantievoorwaarde

Het volgende punt waarover het hof moet oordelen is of de verhuurclausule een primaire dekkingsomschrijving bevat of moet worden gekwalificeerd als garantievoorwaarde. In deze zaak is dit onderscheid van belang omdat het beroep op een preventieve garantievoorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn omdat de redenen waarom de verzekeraar dit soort evenementen niet wil verzekeren zich in het concrete geval niet voordoen. (Vgl. Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435, r.o. 3.4.2. Het onderscheid is ook van belang voor de uitleg van polisvoorwaarden en voor de bewijslast.)

 

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een preventieve garantievoorwaarde. Opvallend is daarbij wel dat het hof een vergelijking maakt met uitsluitingsclausules (zie r.o. 4.6), terwijl de vraag die voorligt toch is of sprake is van een primaire dekkingsomschrijving of een garantievoorwaarde.

Beroep op garantievoorwaarde onaanvaardbaar?

Het hof kijkt zowel naar de diploma’s van de begeleider als van de vrouw als huurder. Hoewel diploma’s mogelijk ontbreken (de clausule is onduidelijk ten aanzien van het diplomavereiste van de begeleider) oordeelt het hof dat niet vaststaat dat er door de begeleider en mevrouw fouten zijn gemaakt of dat de schrikreactie van de paarden en het ongeval zouden zijn voorkomen indien de begeleider en mevrouw over diploma’s zouden hebben beschikt.

 

Het beroep op de verhuurclausule is om die reden ex artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. NN is gehouden dekking te verlenen en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank in afwachting van de schadestaatprocedure.

Conclusie

Onderhavig arrest onderstreept het verschil tussen de primaire dekkingsomschrijving en de preventieve garantievoorwaarde. Het beroep op een preventieve garantievoorwaarde kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn omdat het causaal verband ontbreekt. Of het causaal verband ontbreekt, is in veel gevallen een feitelijke vraag waarover goed onderbouwd geprocedeerd moet worden.