De ministers Ollongren en Bruins hebben in een

gezamenlijke brief aan de Tweede Kamer van 22 februari jl. twee maatregelen aangekondigd tot het aanscherpen van de Wet Normering Topinkomens (WNT) ter voorkoming van misbruik. De aanleiding van deze brief vormt de berichtgeving in Het Financieel Dagblad (uit november 2017) over constructies in de zorg, die worden gebruikt om het verbod op winstuitkering en de WNT te omzeilen. De ministers kondigen aan de WNT op twee onderdelen aan te scherpen.

Toepassing WNT op onderaannemers in de zorg

De WNT is, kort gezegd, van toepassing op instellingen die zijn toegelaten op grond van de Wet toelating zorginstellingen. Het gaat daarbij om instellingen die zorg verlenen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Het komt, aldus het kabinet, regelmatig voor dat toegelaten instellingen de zorgverlening – in onderaanneming – uitbesteden aan andere instellingen, die zelf niet onder de WNT vallen. Deze “onderaannemers in de zorg” worden echter wel bekostigd uit “publieke middelen”. Dit leidt ertoe dat de bezoldiging van een topfunctionaris van een toegelaten zorginstelling wel wordt genormeerd door de WNT, terwijl de bezoldiging van een topfunctionaris van een instelling die in onderaanneming zorg verleent, niet wordt genormeerd. Het kabinet is voornemens deze “ongelijkheid” op te lossen door de toepassing van de WNT niet meer te baseren op het feit of een zorginstelling al of niet een toegelaten instelling is, maar te koppelen aan het feit of een zorginstelling zorg verleent op grond van de Zvw of Wlz. Door deze wijziging worden ook onderaannemers in de zorg onder de reikwijdte van de WNT gebracht.

Uitbreiding toepassing WNT op “gelieerde instellingen”

De WNT is (ook) van toepassing op zogenaamde “gelieerde instellingen”. Dit zijn instellingen die door een WNT-instelling zijn opgericht maar zelf niet onder de reikwijdte van de WNT vallen. Instellingen in de zorgsector maken vaak deel uit van een groepsverband, waarbinnen niet alle instellingen/rechtspersonen onder de WNT vallen. Het komt voor dat de topfunctionaris van een WNT-instelling in dienst is (en op de loonlijst staat) van een niet WNT-instelling, terwijl het totaal aan bezoldiging (voor werkzaamheden ten behoeve van de “groep”) het bezoldigingsmaximum van de WNT overschrijdt.

Op dit moment bepaalt de WNT dat de bezoldiging van de topfunctionaris bij een WNT-instelling én de bezoldiging bij de gelieerde “dochterinstelling(en)” tezamen niet meer mag bedragen dan het toepasselijke bezoldigingsmaximum. Daarbij is overigens onduidelijk of met het “toepasselijke” bezoldigingsmaximum het algemene bezoldigingsmaximum wordt bedoeld (voor 2018: € 187.000), of een lager bezoldigingsmaximum op grond van de klassenindeling in de zorg.

Op dit moment geldt (vaak) het omgekeerde niet: de bezoldiging die de topfunctionaris bij de niet WNT-genormeerde “moeder” verdient, telt niet (altijd) mee voor de normering van de bezoldiging van de topfunctionaris op het niveau van de dochters.

Het kabinet is voornemens dit aan te passen door het begrip “gelieerde instelling” zodanig uit te breiden dat het “gelieerde verband” niet alleen naar “beneden” werkt – dus gevolgen heeft voor een dochter van een WNT-moeder – maar ook naar “boven” werkt: dat betekent dat de WNT ook gevolgen heeft indien de gelieerde moeder (waar de topfunctionaris in dienst is) niet onder de WNT valt. Daarmee beoogt het kabinet te voorkomen dat de WNT kan worden ontweken door de topfunctionaris (gedeeltelijk) aan te stellen bij een niet WNT-moeder.

Vragen

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neemt u dan contact op met de experts van de Marktgroep Zorg van Nysingh. Zij helpen u graag.