Meneer A heeft op 1 april 2005 een overlijdensrisicoverzekering bij Aegon afgesloten met een verzekerd kapitaal van € 668.149,-, dat na zijn overlijden uitgekeerd moet worden aan de door verzekerde aangewezen begunstigden: zijn echtgenote en kinderen.

Voor het aangaan van de verzekeringsovereenkomst heeft meneer A een door Aegon verstrekt vragenformulier ingevuld. Op het vragenformulier heeft meneer A aangegeven dat zijn bezittingen een waarde hebben van € 50.000,- en dat de omvang van zijn schulden € 600.000,- bedraagt.

Sinds 6 maart 2006 is meneer A vermist. Op 2 mei 2006 is het faillissement van zijn vennootschap uitgesproken en uit het faillissementsverslag blijkt dat er op 31 december 2013 een schuld bestond van € 1.200.000,-, welke schuld sinds die tijd alleen maar is toegenomen.

 

In een brief van Aegon aan de curator van 1 november 2007 heeft Aegon de vernietiging van de verzekeringsovereenkomst wegens verzwijging ingeroepen.

 

In december 2010 overlijdt de echtgenote van meneer A en daaropvolgend in april 2011 wordt het stoffelijk overschot van meneer A in het kanaal gevonden.

De vordering van de kinderen

De kinderen van meneer A zijn (nog de enige) begunstigden onder de verzekeringsovereenkomst en hebben jegens Aegon aanspraak gemaakt op uitkering van het verzekerde kapitaal. Aegon heeft echter uitkering geweigerd met een beroep op schending van de mededelingsplicht door meneer A bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst.

Het beroep op art. 7:928 BW

De vraag die nu voorligt is aan wie Aegon mededeling had moeten doen van haar constatering dat sprake was van schending van de mededelingsplicht. Art. 7:929 BW bepaalt dat een verzekeraar wegens het niet-nakomen van de mededelingsplicht slechts gevolgen kan inroepen indien hij de verzekeringnemer daarvoor binnen twee maanden na ontdekking heeft gewaarschuwd.

 

Aegon heeft bij brief van 1 november 2007 zich beroepen op schending van de mededelingsplicht en vernietiging van de verzekeringsovereenkomst ingeroepen. Deze brief was echter niet aan meneer A gericht, maar aan diens curator. Aegon geeft daarvan aan dat zij, in verband met de vermissing van meneer A, de brief niet aan hem kon richten en zich daarom tot de curator heeft gewend.

Oordeel van de Hoge Raad

5 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:178

Aan de kennisgevingsplicht van de verzekeraar over de geconstateerde schending van de mededelingsplicht ligt de gedachte ten grondslag dat de verzekeraar zijn wederpartij niet in onzekerheid mag laten over de vraag of hij zich een beroep op schending van de mededelingsplicht wil voorbehouden, en de zaak niet op haar beloop mag laten. Uit de Parlementaire Geschiedenis volgt dat de wetgever de specifieke belangen van de verzekeringnemer heeft willen beschermen. Indien niet tijdig is voldaan aan de kennisgevingsplicht, kan de verzekeraar zich niet meer op zijn rechten ter zake van de niet-nakoming van de mededelingsplicht beroepen. Dit geldt ongeacht of de verzekeringnemer nadeel ondervindt van de te late kennisgeving.

 

De kennisgeving van de verzekeraar kan slechts geschieden aan de verzekeringnemer zelf, dan wel diens rechtsopvolger(s), aldus de Hoge Raad. De verzekeraar kan zich daarbij houden aan het laatst bekende adres, zie art. 7:933 lid 1 BW, waarbij de schriftelijke verklaring van de verzekeraar haar werking heeft op het moment dat zij op het adres is afgeleverd (art. 3:37 lid 3 BW). Dat geldt ook als de verzekeringnemer niet daadwerkelijk kennis kan nemen van de inhoud van de kennisgeving, door bijvoorbeeld afwezigheid of vermissing.

Kortom

Kennisgeving van Aegon aan de curator voldeed dus niet. Ook niet als de curator de inhoud van de brief met de (toen nog in leven zijnde) echtgenote van meneer A, en eerste begunstigde, heeft besproken. Immers, ook in geval van overlijden van de verzekeringnemer kan de verzekeraar niet volstaan met een kennisgeving aan de eerste begunstigde of een andere derde. De erfgenamen kunnen immers, als rechtsopvolgers van de verzekeringnemer een eigen (van dat van de begunstigde of andere derde te onderscheiden) belang hebben om op de hoogte te worden gesteld van het beroep op schending van de mededelingsplicht.

 

In geval van overlijden geschiedt kennisgeving aldus aan de erfgenamen (als rechtsopvolgers) van de verzekeringnemer, waarbij de verzekeraar zich ook in dat geval kan houden aan het laatst bekende adres van de verzekeringnemer, wanneer geen adresgegevens van de erfgenamen bekend zijn (art. 7:933 lid 1 BW).