Begin augustus 2016 heeft X zijn auto verzekerd tegen diefstal en brandschade.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3730

Casus

Begin augustus 2016 heeft X zijn Audi S5  bij Achmea verzekerd tegen diefstal en brandschade. In de polisvoorwaarden is bepaald dat in geval van diefstal van de auto de autoverzekering eindigt (artikel 5). Voorts is bepaald dat schade aan de auto niet is verzekerd als de auto wordt gebruikt voor iets dat wettelijk niet mag (artikel 9).

 

X heeft op 30 december 2016 aangifte gedaan van diefstal van de auto. Op 11 mei 2017 is de auto uitgebrand teruggevonden. De auto was gebruikt bij een poging tot liquidatie. X vordert uitkering van zijn schade.

Mag verzekeraar zich op polisvoorwaarden beroepen?

In de procedure bij het Hof gaat het om de vraag of de verzekeraar dekking mag weigeren op grond van de artikelen 5 en 9 van de polisvoorwaarden.

 

Achmea beroept zich (o.a.) op een brief van 10 augustus 2016 en een premie-specificatie, die volgens haar tezamen met het polisblad aan X zijn gezonden. In die brief staat dat X de polisvoorwaarden (met daarin de artikelen 5 en 9) online kan nalezen of downloaden, of dat hij ze telefonisch kan opvragen. Verder wijst Achmea erop dat X een activeringscode heeft ontvangen waarmee hij kon inloggen en de voorwaarden digitaal kon inzien of downloaden. Achmea heeft geconstateerd dat X ná de diefstal heeft ingelogd op ‘Mijn Verzekeringsmap.’

 

X erkent wel het polisblad van de verzekering te hebben ontvangen, maar niet de brief van 10 augustus 2016 en de premie-specificatie. De polisvoorwaarden zouden daarom niet met hem zijn overeengekomen, aldus X.

 

Het Hof oordeelt dat – ook indien ervan wordt uitgegaan dat de brief van 10 augustus 2016 wél is ontvangen – daarmee onvoldoende vaststaat dat de artikelen 5 en 9 tussen Achmea en X zijn overeengekomen.

Artikelen in polis zijn kernbedingen

Het Hof overweegt dat de bedoelde artikelen kernbedingen zijn, waarop de regels omtrent algemene voorwaarden niet van toepassing zijn. Er moet daarom aan de hand van de gewone regels die gelden voor de totstandkoming van overeenkomsten worden beoordeeld of de artikelen 5 en 9 zijn overeengekomen. Het komt er dan op aan wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs konden en mochten afleiden. Niet is gebleken dat X voor de totstandkoming van de verzekering of bij ontvangst van de polis heeft ingelogd in zijn persoonlijke internetomgeving. Ook anderszins staat niet vast dat de polisvoorwaarden aan hem zijn verstrekt, nu de ontvangst van de brief van 10 augustus 2016 door X is betwist. Het Hof concludeert dat Achmea zich niet op de polisvoorwaarden kan beroepen en daarom gehouden is tot uitkering.

Bewijslast polisvoorwaarden ligt bij verzekeraar

Deze uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden illustreert maar weer eens dat van een verzekeraar wordt verlangd de polisvoorwaarden tijdig, dat wil zeggen bij het aangaan van de overeenkomst, aan de verzekeringnemer te verstrekken. Bovendien doet de verzekeraar er verstandig aan dat op zodanige wijze te doen, dat hij dat achteraf ook kan aantonen. De bewijslast op dit punt rust immers op de verzekeraar. Zodra een verzekerde de (tijdige) ontvangst van de polisvoorwaarden betwist, heeft de verzekeraar al snel een probleem…