Duurzaamheid staat bij het huidige kabinet hoog in het vaandel. Bedrijven zijn eveneens steeds meer bezig met duurzaamheid door bijvoorbeeld overeenkomsten met elkaar te sluiten om bij te dragen aan het milieu of dierenwelzijn. Dergelijke overeenkomsten moeten de toets van de mededingingsregels kunnen doorstaan.

Al in een eerdere bijdrage berichtten wij over de toepassing van de mededingingsregels op duurzaamheidsinitiatieven, naar aanleiding van de Kamerbrief van 23 juni 2016 van de toenmalige minister van EZ. Daarin stelde de minister onder andere bezwaren vast van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en Europese Commissie tegen een verruiming van de toetsing aan het derde lid van de artikelen 6 Mw en 101 VWEU om duurzaamheidssamenwerkingen te kunnen uitzonderen van het kartelverbod.

 

Om aan die bezwaren tegemoet te komen stelde de minister in die Kamerbrief onder andere voor om wetgeving in te voeren waarbij duurzaamheidsafspraken een wettelijke status kunnen verkrijgen. Op 20 maart 2018 heeft de staatssecretaris van EZK daartoe het wetsvoorstel “Ruimte voor Duurzaamheidsinitiatieven” ingediend bij de Raad van State. Volgens het nieuwsbericht op de website van de Rijksoverheid beoogt het wetsvoorstel om breed gedragen duurzaamheidsinitiatieven vast te leggen in wettelijke regelingen, mits de verantwoordelijke minister oordeelt dat er voldoende draagvlak is onder betrokken ondernemers. In het bericht zegt de staatssecretaris:

 “Heldere regels voor marktordening zorgen voor eerlijke concurrentie en een gezonde economie. Wetgeving moet duurzame groei echter niet afremmen. Soms zijn wetten nog niet toepasbaar op de nieuwste innovaties of sluiten mededingingsregels samenwerking uit. Bij het bijvoorbeeld op de markt brengen van duurzamere energie of diervriendelijker geproduceerd vlees, is samenwerken vaak noodzakelijk voor succes. Breed gedragen initiatieven voor duurzamere producten of diensten kunnen daarom vastgelegd worden in aparte wettelijke regelingen.”

De Raad van State zal over dit wetsvoorstel een advies uitbrengen. Tot die tijd worden het wetsvoorstel en de memorie van toelichting nog niet openbaar gemaakt. In mei 2017 is het wetsvoorstel al wel geconsulteerd, via internetconsultatie. Daar zijn een conceptwetsvoorstel en –memorie van toelichting gepubliceerd. Het is nog onduidelijk in welk opzicht het huidige voorstel al dan niet is gewijzigd door deze consultatie en we kunnen nog niet met zekerheid stellen wat de precieze inhoud van het voorstel zal zijn is.

 

In de conceptmemorie van toelichting is onder andere de spanning tussen duurzaamheidsinitiatieven met het kartelverbod aangegeven en wordt het opnemen in een wettelijke regeling als oplossing aangedragen om deze spanning op te heffen. Hierbij zou regulering door de overheid het risico voor ondernemingen op eventuele schendingen van het kartelverbod wegnemen en zouden dus meer duurzaamheidsinitiatieven gerealiseerd kunnen worden. In de conceptmemorie van toelichting benadrukt de minister dat het wetsvoorstel in lijn is met Europees recht, meer specifiek dat het Europeesrechtelijke nuttig effect-beginsel niet van toepassing is op deze handelwijze. Dat beginsel uit artikel 4, lid 3, VEU, houdt onder andere in dat lidstaten van de EU niet met de mededingingsregels strijdige gedragingen mogen opleggen, begunstigen, of de werking ervan versterken. In de woorden van de conceptmemorie van toelichting:

“Het gaat dus om situaties dat er sprake is van een gedraging, bijvoorbeeld een afspraak tussen ondernemingen, die in strijd is met artikel 101 VWEU en waarvan een lidstaat via wetgeving deelname aan die afspraak oplegt of begunstigt of de werking van die afspraak versterkt. Van dit laatste zou sprake kunnen zijn in geval van het algemeen verbindend verklaren van op duurzaamheid gerichte afspraken. In onderhavig wetsvoorstel is hiervan geen sprake omdat er slechts een verzoek wordt gedaan tot het stellen van regels. Er is in dat geval geen sprake van een mededingingsbeperkende afspraak zodat deze ook niet kan worden bekrachtigd. Daarbij is het wel van belang dat, indien de voorgestelde regels als afspraak tussen ondernemingen in strijd zouden zijn met het kartelverbod, deze niet al worden toegepast voordat de minister daadwerkelijk is overgegaan tot het stellen van de regels.”

Het is de vraag of de Europese Commissie dit wel verenigbaar acht met het nuttig effect-beginsel, waar het voorstellen van ondernemingen betreft die de mededinging beperken. Niettemin, of deze overwegingen dus ook in het nieuwe wetsvoorstel terugkomen, zullen we zien als het wetsvoorstel beschikbaar wordt.

Meer informatie

Voor meer informatie of vragen op het gebied van mededinging, duurzaamheid of overeenkomsten kunt u contact opnemen met Ekram Belhadj, E: ekram.belhadj@nysingh.nl | T: 038 425 92 07 | M: 06 53 98 53 75 of Cees Dekker, cees.dekker@nysingh.nl | T: 038 425 92 07 | M: 06 10 01 75 80.