Woningbezit is een kostbaar, maar vaak ook een tijdrovend goed. Zeker bezitters van meerdere woningen besteden hun (verbouw)werkzaamheden daarom veelal uit aan een vaste ‘klusjesman’.

Ook als deze partij voor alle werkzaamheden zorgdraagt, ontslaat dit de opdrachtgever echter niet altijd van zijn verplichting om voor een veilige werkomgeving te zorgen.

 

Een recent voorbeeld van een zaak waarin een verhuurder ‘onverwacht’ aansprakelijk bleek te zijn voor een ongeval van een ingeschakelde derde, deed zich voor in een procedure voor het gerechtshof Amsterdam, d.d. 28 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:215).

Casus

In deze zaak ging het om de verbouwing van een pand in Amsterdam, tussen december 2013 en 2014. De eigenaar van het pand woonde zelf op de eerste verdieping. De overige vier verdiepingen werden door hem kort- en langdurig verhuurd.

 

Voor de verbouwing schakelde woningbezitter zijn vaste klusjesman in; een in Nederland woonachtige Est. Voorafgaand aan deze werkzaamheden werd de klusjesman, zoals tussen hen gebruikelijk was, (contant) betaald. De verdere invulling van de werkzaamheden, waaronder de eventuele inschakeling van derden, werd volledig aan de klusjesman overgelaten.

 

Op 24 maart 2014 werd een Letse bouwvakker, vanaf het adres van de verbouwing, per ambulance afgevoerd naar het OLVG-ziekenhuis. Het ambulanceritformulier vermeldt dat de bouwvakker bezig was met een inpandige verbouwing, toen bij hijswerkzaamheden een grote houten plaat uit een strop gleed en op zijn gezicht terecht kwam. De bouwvakker liep ernstig letsel op en werd de volgende dag geopereerd aan zijn ernstig letsel in zijn gezicht. Aan zijn linkeroog hield hij blijvend letsel over.

 

In de onderhavige procedure vorderde de Letse bouwvakker van de woningbezitter vergoeding voor de tijdens de werkzaamheden geleden schade.

Woningbezitter geen werkgever

De vraag die in deze zaak voorop stond, was of de woningbezitter als werkgever van de Letse bouwvakker moest worden gezien. Dit is van belang omdat een werkgever op grond van artikel 7:658 BW in beginsel aansprakelijk is voor de schade van zijn werknemers, tenzij deze kan aantonen dat hij voldoende maatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft verstrekt om deze schade (redelijkerwijs) te voorkomen.

 

Het hof oordeelde – anders dan de kantonrechter in eerste aanleg – dat de woningbezitter geen werkgever van de Let was, omdat tussen hen geen arbeidsovereenkomst bestond. Daartoe vond het hof het onder meer van belang dat de woningbezitter de Est had ingeschakeld en de invulling van de verbouwingswerkzaamheden volledig aan hem had overgelaten. De Let werd wekelijks in contacten betaald door de Est. Ook had de woningbezitter geen opdrachten of aanwijzingen aan hem gegeven.

 

Saillant detail: de woningbezitter ontkende vooral dat het ongeval had plaatsgevonden en stelde dat de Let de werkzaamheden niet zou hebben verricht. Hierin ging het hof echter niet mee, omdat deze feiten bleken uit het ritformulier van de ambulance.

Wel arbeid ‘in de uitoefening van bedrijf’

Hoewel het hof de bezitter van de woning dus niet als werkgever van de Let aanmerkte, vond het wel dat deze moest voldoen aan diezelfde zorgplicht. Het hof was van oordeel dat de woningbezitter arbeid in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep had laten uitvoeren. In dat geval kunnen namelijk ook derden, zoals zzp-ers of vrijwilligers, via lid 4 vallen onder de bescherming van artikel 7:658 BW.

 

Doorslaggevend was in dit geval dat de woningbezitter in totaal vijf woonruimtes verhuurde aan derden en voor het verrichten van werkzaamheden een vaste klusjesman had. Daarnaast had de eigenaar aangegeven dat de verhuur hem genoeg opleverde om van te leven en buiten de verhuur alleen op hobbybasis bepaalde activiteiten verrichtte. Ook was hij BTW-plichtig ten aanzien van de verhuur aan toeristen.

Hieruit maakte het hof op dat de man van de verhuur van woonruimte zijn bedrijf had gemaakt en dat het ongeval dus plaatshad in de uitoefening van de werkzaamheden voor dat bedrijf,  ook al betroffen de werkzaamheden van de Let niet de verhuur zelf, maar slechts het opknappen van de woonruimte(n).

 

Het hof concludeerde dan ook dat de bezitter van de woning aansprakelijk zou zijn als zou blijken dat hij zijn zorgplicht niet was nagekomen.

Zorgplicht

Op dit punt viel het doek voor de woningbezitter. Het hof stelde vast dat hij op de bewuste dag niet aanwezig was geweest en bovendien op geen enkele wijze had gesteld dat hij maatregelen had getroffen. Bovendien werd het de man aangerekend dat hij zich had proberen te verschuilen achter zijn Estse klusjesman.

 

Het hof oordeelde dan ook dat de woningbezitter aansprakelijk was voor de door de Letse bouwvakker geleden schade.

Geen gezagsverhouding

Opvallend aan deze uitspraak is dat er geen sprake was van enige ‘gezagsverhouding’ tussen de woningbezitter en de Let, in de zin dat de eerstgenoemde zeggenschap had over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden.

 

In de literatuur en rechtspraak wordt een gezagsverhouding vaak (impliciet) gezien als een vereiste voor de bescherming als ‘werknemer’. Het gaat er dan met name om of een zzp-er zich voor wat betreft zijn veiligheid in een afhankelijke positie ten opzichte van zijn opdrachtgever bevindt. In het onderhavige geval was het hof klaarblijkelijk van oordeel dat een gezagsverhouding niet vereist was, althans dat de volledige afwezigheid (en ontkenning) van de nodige maatregelen een dusdanige schending opleverde, dat de Letse bouwvakker toch bescherming toekwam.