De rechtbank Noord-Holland heeft zeer recent uitspraak gedaan in een zaak waar verzoekster met een crisismaatregel was opgenomen in een kliniek, waar zij onder meer is gedwongen een Coronatest te ondergaan.

Volgens verzoekster is – met name – de gedwongen Coronatest in strijd met de toegestane vormen van verplichte zorg uitgevoerd. Zij vordert een schadevergoeding van € 650,- wegens aantasting van de lichamelijke integriteit en geestelijk leed door de insluiting.

 

Verplicht zorg op grond van Wvggz

De zorginstelling meent dat zij op grond van artikel 3:2 lid 2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidzorg (Wvvgz) een grondslag had tot het treffen van drie maatregelen (toediening van ingrijpmedicatie, het ondergaan van een gedwongen Coronatest en insluiting voor een periode van 42 uur). Volgens de instelling is in dit artikel bepaald dat onder verplichte zorg onder meer valt het verrichten van medische controles of handelingen ter behandeling van een somatische aandoening (sub a), onderzoek aan het lichaam (sub e) en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid om het eigen leven in te richten (sub h). Voor zover de Coronatest niet onder een van deze vormen kan worden geschaard, meent de instelling dat de combinatie van deze vormen van verplichte zorg, in samenhang met de veiligheid, voldoende wettelijke grondslag bood.

 

De rechtbank oordeelt dat het toedienen van de ingrijpmedicatie voldeed aan de voorwaarden voor tijdelijke verplichte zorg in noodsituaties (artikel 8:11 Wvggz), gezien de agressie en dreigende houding van verzoekster. Het vervolgens insluiten, wat al onderdeel was van de verplichte zorg voor verzoekster, voldeed volgens de rechtbank aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.

Verplichte Coronatest: inbreuk op de lichamelijke integriteit

Het tegen de wil van een persoon afnemen van een Coronatest levert volgens de rechtbank echter een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de betrokkene op (artikel 11 Grondwet en artikel 8 EVRM). Bij het afnemen van de test wordt immers een voorwerp (wattenstaaf) gedeeltelijk in een opening van het menselijk lichaam ingebracht.

 

Artikel 3:2 lid 2 onderdeel a Wvggz is volgens de rechtbank niet aan de orde, omdat bij de Coronatest geen sprake is van handelingen ter behandeling van een psychische stoornis of somatische aandoening. Verzoekster vertoonde geen symptomen van Corona. De test was uitsluitend bedoeld om Corona uit te sluiten of vast te stellen, zodat de instelling zonodig maatregelen kon treffen. Van een situatie als bedoeld in onderdeel e (onderzoek aan het lichaam) is evenmin sprake, nu geen onderzoek wordt verricht aan het lichaam, maar onderzoek in het lichaam. Van beperkingen zoals bedoeld in onderdeel h is ook geen sprake, nu deze bepaling ziet op bijvoorbeeld beperkingen in het voeren van telefoongesprekken. Een grondslag voor het ondergaan van een gedwongen Coronatest kan daarin niet worden gevonden. Kortom: de rechtbank oordeelt dat er geen wettelijke basis bestond voor de instelling om verzoekster een gedwongen Coronatest te laten ondergaan.

 

Evenmin deden zich uitzonderlijke en niet voorzienbare omstandigheden voor waardoor de Coronatest – op grond van een combinatie van de genoemde vormen van verplichte zorg in samenhang met de veiligheid in de instelling en de gezondheid van personeel en medepatiënten – gerechtvaardigd was. Hierbij acht de rechtbank van belang dat niet kan worden gezegd dat de wetgever bij het opstellen van de Wvggz geen rekening had kunnen houden met besmettelijke infectieziekten in een instelling. Bovendien is de Wvggz ook niet op dit punt aangepast sinds de ‘eerste golf’, terwijl sindsdien wel andere wet- en regelgeving is aangepast. De rechtbank verwijst daarbij ook naar de Wet publieke gezondheid (Wpg), die het bijvoorbeeld mogelijk maakt om een persoon waarvan vermoed wordt dat deze een infectieziekte heeft, gedwongen op te nemen ter isolatie en vervolgens lichamelijk te onderzoeken (art. 31 lid 4 Wpg).

 

Bovendien had de instelling met minder verstrekkende maatregelen de veiligheid in de instelling en de gezondheid van personeel en medepatiënten kunnen waarborgen, door verzoekster in haar kamer in quarantaine te laten gaan, dan wel haar (bij weigering) in de extra beveiligde kamer te isoleren. Gedurende de quarantaineperiode had haar telkens de keuze geboden kunnen worden om alsnog vrijwillig een Coronatest te ondergaan of de quarantaineperiode in haar eigen kamer te voltooien.

 

De verplichte Coronatest op basis van de Wvggz was daarmee onrechtmatig. De rechtbank kent verzoekster een schadevergoeding van € 200,- toe.

Wet zorg en dwang

In artikel 2 van de Wet zorg en dwang (Wzd) staat een vergelijkbare bepaling over onvrijwillige zorg. Artikel 2 lid 2 onderdeel a, e en h Wzd komen volledig overeen met de tekst van voorgenoemde bepalingen in de Wvggz. Deze uitspraak heeft naar onze mening dus ook direct betekenis voor zorgaanbieders die zorg leveren onder de Wzd.
Duidelijk is dat zowel artikel 2 lid 2 van de Wzd als artikel 3:2 lid Wvggz geen grondslag bieden om cliënten gedwongen een Coronatest te laten ondergaan. De bestrijding van Corona en het voorkomen van verspreiding binnen de instelling zal plaats moeten vinden buiten de Wvggz en de Wzd en via de daarvoor bedoelde Wpg. In dit verband wijzen wij ook naar onze blog over het instellen van een bezoekverbod binnen een zorginstelling.

Toezicht en handhaving IGJ

De toepassing van verplichte zorg is in deze uitspraak uitsluitend getoetst naar aanleiding van een verzoek om schadevergoeding. Wij wijzen er echter op dat de rechtmatigheid van de inzet van verplichte zorg ook extern kan worden getoetst. De Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is belast met het toezicht op de naleving van zowel de Wvggz als Wzd. Indien verplichte of onvrijwillige zorg wordt verleend of de IGJ hiertoe gegronde vermoedens heeft, is zij, voor zover dit noodzakelijk is voor het toezicht op de verplichte en onvrijwillige zorg, bevoegd hier onderzoek naar te doen. De IGJ kan apparatuur meenemen, een woning of verblijfsruimte binnentreden zonder toestemming van de bewoner, inlichtingen vragen en is bevoegd tot inzage in dossiers (artikel 13:1 Wvvgz en artikel 60 Wzd).

 

Indien wordt geconstateerd dat sprake is van vormen van verplichte zorg waarin de crisismaatregel, zorgmachtiging, besluit tot opname, rechtelijke machtiging of beschikking van de burgemeester niet voorziet, dan kan een strafrechtelijke geldboete van de tweede categorie (maximaal € 4.350,-) worden opgelegd (artikel 13:6 Wvggz en artikel 63 lid 1 onderdeel b Wzd). Het is als instelling goed om ook hier rekening mee te houden. Wij sluiten niet uit dat de instelling waar het in onderhavige procedure om ging nog wordt geconfronteerd met een boete.

 

Heeft u vragen over het treffen van maatregelen ter bestrijding van het Coronavirus, neemt u dan contact op met de experts van de Marktgroep Zorg, die u hierover kunnen adviseren.