Op welk moment is de aanspraak van de verpachter op overdracht van fosfaatrechten door de pachter opeisbaar: bij het einde van de pachtverhouding of al bij het einde van de oorspronkelijke pachtovereenkomst? En geldt de ASR/Qualm-regel ook als landbouwgrond niet wordt verpacht, maar in erfpacht is uitgegeven? De Hoge Raad geeft in zijn arrest van 16 oktober 2026 antwoord op beide vragen.
Toen ik enkele jaren geleden in een artikel in het Tijdschrift voor Agrarisch Recht de tussenstand opmaakte na vijf jaar fosfaatrechten (TvAR 2023, 136), was één ding duidelijk: de inmiddels ontwikkelde rechtspraak over de rechten van pachter en verpachter ten aanzien van (de waarde van) de fosfaatrechten bood de pachtpraktijk richting en handvatten, maar er bleven ook nog diverse vragen onbeantwoord.
Inmiddels zijn we weer enkele jaren en een belangrijk arrest van de Hoge Raad verder. Op 16 oktober 2026 heeft de Hoge Raad zich namelijk opnieuw over de verdeling van fosfaatrechten uitgelaten. Ditmaal gaat het niet alleen over pacht, maar ook over erfpacht. Gelden de ASR/Qualm-regels in dat geval ook? Daarnaast maakt de Hoge Raad duidelijk op welk moment een eventuele aanspraak op fosfaatrechten opeisbaar wordt.
Even terug: ASR/Qualm
Het vertrekpunt is inmiddels bekend. Fosfaatrechten komen in beginsel toe aan de pachter. Het Pachthof heeft in het ASR/Qualm-arrest echter geoordeeld dat uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een verplichting voor de pachter kan voortvloeien om bij het einde van de pacht de aan het verpachte toe te rekenen fosfaatrechten aan de verpachter over te dragen, mits aan de daarvoor geformuleerde voorwaarden is voldaan. Daartegenover staat een vergoeding door de verpachter van de helft van de marktwaarde van die rechten.
De rechtvaardiging hiervoor is dat de onroerende zaak na het einde van de pacht potentieel minder goed te exploiteren is en dat de verpachter, door langdurig bedrijfsmiddelen voor de bedrijfsvoering van de pachter ter beschikking te stellen, in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de omvang van de veestapel en daarmee aan de toegekende fosfaatrechten.
Wanneer is de aanspraak opeisbaar?
De Hoge Raad oordeelt ten aanzien van het moment van opeisbaarheid dat de ASR/Qualm-regels mede grondslag vinden in de omstandigheid dat de onroerende zaak van de verpachter zonder fosfaatrechten minder goed te exploiteren is. Dat doet zich pas voor bij het einde van de pachtverhouding en dus niet al bij het einde van de oorspronkelijke pachtovereenkomst.
De aanspraak van de verpachter op overdracht van fosfaatrechten is daarom pas opeisbaar aan het einde van de pachtverhouding. Dat is van belang, omdat het voorkomt dat gedurende een voortgezette pachtrelatie al moet worden afgerekend over fosfaatrechten, terwijl de pachter de gepachte bedrijfsmiddelen nog steeds gebruikt.
Gelden dezelfde uitgangspunten ook bij erfpact?
Misschien nog wel interessanter is dat de Hoge Raad oordeelt dat deze verdelingsregels in beginsel ook gelden in geval van agrarische erfpacht.
Dat is een opvallende volgende stap in de ontwikkeling van de rechtspraak. In mijn eerdere artikel besprak ik juist een arrest waarin een ligboxenstal die de pachter zelf op grond van een pachtafhankelijk opstalrecht had gebouwd, buiten de berekening van het aandeel van de verpachter bleef. Het Pachthof redeneerde dat de verpachter die stal niet aan de pachter ter beschikking had gesteld. De pachter had het gebouw zelf opgericht, was daarvan eigenaar en droeg de daarmee samenhangende risico’s. De vraag wat zou gelden bij een ander zakelijk recht, zoals erfpacht, lag toen nog open, maar heeft nu nadere invulling gekregen.
De Hoge Raad overweegt, anders dan het Pachthof eerder in een andere kwestie, dat het in de rede ligt dat de regel voor de verdeling van fosfaatrechten bij pacht ook geldt bij erfpacht van agrarische grond en/of gebouwen. Daarmee is de betekenis van ASR/Qualm dus niet beperkt tot de klassieke verhouding tussen pachter en verpachter.
De Hoge Raad maakt daarbij direct een belangrijk voorbehoud. Een uitzondering geldt als partijen bij het vestigen van de erfpacht het risico op het ontstaan van productierechten en de gevolgen daarvan voor de erfverpachter in de hoogte van de canon hebben verdisconteerd.
Dat voorbehoud is begrijpelijk. De ASR/Qualm-regel vult immers de rechtsverhouding van partijen aan in het geval dat zij zelf niet in een regeling hebben voorzien. Waar partijen bij het aangaan van een erfpachtrelatie al rekening hebben gehouden met productierechten, ligt een aanvullende aanspraak minder voor de hand.
Juist bij oudere erfpachtakten zal daarom goed moeten worden gekeken naar de inhoud van de akte, de overeengekomen canon en de omstandigheden waaronder deze tot stand is gekomen.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Voor de pachter biedt het arrest de zekerheid dat de aanspraak op overdracht van fosfaatrechten pas opeisbaar is aan het einde van de pachtverhouding. Zolang de pachtrelatie wordt voortgezet en de pachter de bedrijfsmiddelen blijft gebruiken, hoeft dus nog niet over de fosfaatrechten te worden afgerekend.
Bij bestaande agrarische erfpachtrelaties zal moeten worden onderzocht welke afspraken zijn gemaakt en of productierechten op enige wijze in de canon zijn verdisconteerd. Bij nieuwe erfpachtovereenkomsten verdient het aanbeveling hierover expliciet afspraken te maken. Daarmee kan worden voorkomen dat partijen jaren later moeten procederen over de vraag wie aanspraak heeft op inmiddels ontstane of toekomstige productierechten.
Meer informatie?
Vragen over fosfaatrechten, pacht of agrarische erfpacht? Neem gerust contact op met Jessica de Roos of een van onze andere specialisten op het gebied van agrarisch recht.


