Cameratoezicht in de (nacht)zorg wordt, vooral in de gehandicaptenzorg en ouderenzorg, regelmatig ingezet als onderdeel van het zorgplan. Dit bijvoorbeeld om onrust bij de cliënt te signaleren, zelfbeschadiging te beperken, te leren van gedrag en de zorg te verbeteren. Maar wat als vertegenwoordigers van de cliënt een kopie van de camerabeelden willen ontvangen? De voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg wees een dergelijke vordering op grond van artikel 194 Rv af en woog de bescherming van medewerkers en de belangen van de zorginstelling daarbij zwaar mee. Wij missen in de procedure echter de koppeling met de WGBO en vragen ons daarom af of zorginstellingen deze uitspraak als vaste lijn moeten hanteren. Wij lichten dit toe.
Waar ging de zaak over?
Een gehandicapte cliënt met een VG7-indicatie verbleef al een aantal jaren bij een zorginstelling. De cliënt had veel ondersteuning en begeleiding nodig, ook in de nacht, vanwege gedrags- en psychiatrische problematiek. In de nacht bestond door zijn onrust een risico op zelfverwonding (krabben, bonken, bijten). De ouders (tevens mentor en bewindvoerder van deze cliënt) hadden al verschillende keren geklaagd over de zorgverlening, welke klachten door de klachtencommissie van de zorginstelling en de Geschillencommissie Zorg gegrond waren verklaard. De zorginstelling trof vervolgens maatregelen om de onrust en zelfverwonding bij de cliënt zoveel mogelijk te voorkomen en zette cameratoezicht in, naast een spreekluisterverbinding (welke automatisch aan gaat als de cliënt geluid maakt, zodat de nachtdienst op afstand met de cliënt kan communiceren). De camerabeelden werden door de gedragswetenschapper gebruikt om te beoordelen welke maatregelen nodig waren om de nachten zo goed mogelijk te laten verlopen en de kwaliteit van zorg te verbeteren. De camerabeelden werden niet structureel opgeslagen, maar in een bepaalde periode wel tijdelijk bewaard en intern geanalyseerd door de gedragswetenschapper.
In een bepaalde nacht verwondde de cliënt zichzelf en vernielde hij zaken. De ouders vroegen de camerabeelden op, maar de zorginstelling weigerde een kopie te verstrekken. Wel is hen uiteindelijk op locatie tweemaal inzage gegeven, in aanwezigheid van een vertrouwenspersoon, hun advocaat en een aantal medewerkers van de zorginstelling. De camerabeelden waren ‘geblurd’, waardoor medewerkers onherkenbaar waren. De ouders hebben melding gedaan bij de IGJ en het zorgkantoor. De IGJ kreeg later de niet-geblurde beelden bij de instelling in te zien.
De vordering in kort geding en oordeel van de rechter
In kort geding vorderden de ouders een kopie van de geblurde beelden. Zij wilden deze namelijk kunnen delen met de IGJ en het zorgkantoor én ze wilden de beelden kunnen gebruiken als bewijsmiddel in eventuele toekomstige procedures, om te onderbouwen dat ’s nachts continue nabijheid nodig is voor de cliënt.
De rechter beoordeelt de vordering vanuit het civielrechtelijke kader voor inzage in en afschrift van gegevens uit een rechtsbetrekking, op grond van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Kort gezegd moet de verzoeker daarvoor een voldoende belang hebben bij een afschrift. De wederpartij moet deze in beginsel verstrekken, tenzij gewichtige redenen zich tegen verstrekking verzetten. De rechter vindt het belang van de ouders bij afgifte onvoldoende aannemelijk, om twee redenen:
- De ouders wilden de beelden kunnen delen met de IGJ en het zorgkantoor. De instelling had echter al toegezegd de beelden beschikbaar te houden en aan toezichthouders te tonen (zoals al bij de IGJ was gebeurd). Daarmee was afgifte aan de ouders niet nodig: hetzelfde doel kon worden bereikt via een minder ingrijpende route, namelijk inzage via de instelling.
- Er is geen sprake van bewijsnood. De ouders wilden de beelden ook voor een mogelijke toekomstige procedure in bezit hebben, om te laten zien dat er ’s nachts geen continue nabijheid bestaat. De rechter overweegt dat de instelling al heeft erkend dat er niet de hele nacht iemand fysiek aanwezig is. Hoe de zorg feitelijk is verleend, is dus niet in geschil. Er bestaat alleen verschil van inzicht welke zorg het beste is voor de cliënt. Door die erkenning vervalt de noodzaak om in toekomstige procedure bewijs te kunnen leveren van die stelling.
De rechter vindt ook dat er gewichtige redenen bestaan om beelden niet in kopie te verstrekken:
- De zorginstelling heeft na afgifte geen controle over verdere verspreiding. Zodra de beelden zijn verstrekt, kan de instelling niet meer sturen op context of verdere verspreiding.
- De rechter achtte het risico op reputatieschade aannemelijk, voor zowel de instelling als de personen die op de beelden (ook geblurd) voorkomen, als de beelden zonder context aan derden worden getoond. Daarbij speelde mee dat ‘blurren’ medewerkers niet per se volledig onherkenbaar maakt, nu zij alsnog herkenbaar zouden zijn op basis van postuur, kledingcontouren en aantekeningen in het medisch dossier.
De vordering van de ouders tot het verstreken van een kopie van de camerabeelden werd dan ook afgewezen.
Verkeerde grondslag
Opvallend is dat artikel 194 Rv als grondslag voor de vordering is gebruikt, terwijl het recht op inzage in en afschrift van gegevens uit het (medisch) dossier rechtstreeks uit artikel 7:456 BW volgt. Uit de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ volgt dat, voor zover er beeld- en geluidopnames worden gemaakt in het kader van de zorgverlening, welke voor langere tijd relevant zijn (wat hier het geval was), deze in het medisch dossier moeten worden bewaard. In dat geval geldt ook de bewaartermijn van 20 jaar (art. 7:454 lid 3 BW) en heeft de cliënt (of diens vertegenwoordiger) het recht om de opname in te zien en er een kopie van te krijgen. Dit verzoek mag alleen worden afgewezen als de persoonlijke levenssfeer van een andere persoon hierdoor wordt geschaad.
Was in deze procedure de grondslag van artikel 7:456 BW gebruikt, dan had er geen toets hoeven plaats te vinden of er ‘voldoende belang’ was bij een afschrift van de beelden, wat wel in het kader artikel 194 Rv moet worden aangetoond. Wel had een afschrift kunnen worden geweigerd in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander, te weten de medewerkers die op de camerabeelden zichtbaar waren. Wellicht had dat naar de beoordeling van deze rechter tot dezelfde uitkomst geleid, maar wij vragen ons af of met het verstrekken van geblurde beelden daadwerkelijk de persoonlijke levenssfeer van een ander wordt geschaad. Immers, bij verstrekking aan derden (zonder context), zijn wellicht wel het postuur en kledingcontouren te zien, maar deze gegevens zijn op zichzelf onvoldoende om een persoon te identificeren, laat staan om diens persoonlijke levenssfeer wezenlijk aan te tasten.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Deze uitspraak van de Rechtbank Limburg wekt de indruk dat een zorginstelling camerabeelden die worden gebruikt in het kader van de zorgverlening, niet zonder meer in kopie aan een cliënt of diens vertegenwoordigers hoeft te verstrekken. De vraag is echter of dat standpunt zich verdraagt met artikel 7:456 BW, nu het recht op inzage en afschrift van gegevens uit het medisch dossier hier wel degelijk uit volgt. Als de beelden zijn gemaakt in het kader van de zorgverlening en (tijdelijk) worden opgeslagen, behoren deze tot het dossier en kan door de cliënt of de vertegenwoordiger(s) in beginsel een kopie worden opgevraagd.
De enige beperking ligt in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden. Het is ons inziens maar zeer de vraag of die uitzondering daadwerkelijk kan worden ingeroepen bij verstrekking van geblurde camerabeelden. Dat medewerkers mogelijk herkenbaar zouden zijn aan postuur of kledingcontouren maakt nog niet dat hun persoonlijke levenssfeer zodanig wordt geraakt dat het inzagerecht van de cliënt hiervoor moet wijken.
Heeft u vragen over het gebruik van camerabeelden in de zorg, recht op inzage en afschrift van camerabeelden of andere kwesties rondom het medisch dossier? Neem dan gerust contact op met onze sectie gezondheidsrecht. Wij adviseren u graag!
1- KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevens, KNMG januari 2024, p. 65.


