Wanneer een benadeelde schade lijdt door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, kan hij zich rechtstreeks wenden tot de aansprakelijkheidsverzekeraar. Maar wat als die benadeelde daarbij onjuiste of misleidende informatie verstrekt? Kan de verzekeraar dat sanctioneren, ook al bestaat er geen contractuele relatie? Die vraag stond centraal in een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:27974).

Feiten

In deze zaak stelde eiser dat zijn stal op 20 april 2021 zwaar beschadigd was geraakt doordat een bij Klaverblad verzekerde met een tractor en aanhanger tegen de stal was aangereden. Volgens eiser was het voorste deel van de stal ingestort als gevolg van die aanrijding.

 

Klaverblad liet onderzoek verrichten door Dekra. Dat onderzoek riep echter direct vragen op over de gestelde toedracht. Zo bleek onder meer:

 

  • de aanhangwagen waarmee de schade zou zijn veroorzaakt, vertoonde geen enkele schade;
  • kort na het incident was bij een gemeentelijke controle juist verklaard dat de schade door een vrachtauto was veroorzaakt, en dus niet door de bij Klaverblad verzekerde tractor met aanhangwagen;
  • het dak van de stal was al jaren beschadigd en eiser was zes weken vóór het incident aangeschreven om het asbesthoudende dak te herstellen.

 

Daarnaast viel op dat er geen getuigen waren, geen camerabeelden beschikbaar waren (terwijl er wel camera’s aanwezig waren) en dat de stal mogelijk toch al op de nominatie stond om te worden gesloopt.

Juridisch kader

Artikel 7:941 lid 5 BW bepaalt dat het recht op uitkering vervalt indien de verzekerde zijn informatieplicht schendt met het opzet de verzekeraar te misleiden. Deze sanctie is stevig en hangt samen met het vertrouwenskarakter van de verzekeringsovereenkomst.

 

Tussen een benadeelde en een WAM‑verzekeraar bestaat echter geen contractuele relatie. De benadeelde ontleent zijn recht aan artikel 6 WAM en niet aan de verzekeringsovereenkomst. Dat betekent dat artikel 7:941 lid 5 BW in beginsel niet rechtstreeks van toepassing is.

 

De Hoge Raad heeft bovendien eerder expliciet geoordeeld dat voor analoge toepassing van deze bepaling geen plaats is, omdat het gaat om een uitzonderlijke sanctie die een wettelijke basis vereist.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank bevestigt eerst het uitgangspunt van de Hoge Raad:

Artikel 7:941 lid 5 BW vindt – zoals eiser terecht stelt – geen toepassing wanneer […] tussen partijen geen contractuele band bestaat.”

 

Daarmee lijkt de deur voor een sanctie gesloten. Maar de rechtbank vervolgt:

Dit betekent echter niet dat het sanctioneren van onwaarheden […] onmogelijk is.”

 

Volgens de rechtbank kunnen onwaarheden en misleiding ook buiten de contractuele sfeer gevolgen hebben, namelijk op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) en de waarheidsplicht van artikel 21 Rv.

 

Vervolgens oordeelt de rechtbank dat in dit concrete geval sprake is van misleiding. Daarbij zijn met name de volgende omstandigheden van belang. Eiser heeft vragen over de staat van de stal niet naar waarheid beantwoord, een onaannemelijke en onvoldoende onderbouwde toedracht geschetst en bovendien onvoldoende transparant en coöperatief meegewerkt aan het onderzoek.

Uitkomst

De rechtbank komt tot een duidelijke conclusie:

Aanspraak maken op vergoeding van schade […] is gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.”

De vordering van eiser wordt daarom afgewezen.

Reflectie

Deze uitspraak is in lijn met de Hoge Raad: artikel 7:941 lid 5 BW kan niet analoog worden toegepast in WAM‑situaties. De rechtbank respecteert dat uitgangspunt, maar bereikt via een andere route feitelijk een vergelijkbaar resultaat.

Waar de Hoge Raad benadrukt dat het verval van recht niet zonder wettelijke basis kan worden aangenomen, laat deze uitspraak zien dat:

  • misleiding niet zonder gevolgen blijft;
  • de rechter via algemene leerstukken alsnog kan ingrijpen;
  • de waarheidsplicht en redelijkheid en billijkheid correctiemechanismen vormen.

Daarmee wordt een belangrijk evenwicht zichtbaar. Enerzijds blijft de bescherming van de benadeelde onder de WAM intact. Anderzijds wordt voorkomen dat die bescherming wordt misbruikt.

Wat nog opvalt, is dat Klaverblad primair tegen de vordering heeft aangevoerd dat eiser er niet in is geslaagd aan te tonen dat schade is toegebracht door de bij Klaverblad verzekerde tractor met aanhangwagen. Met andere woorden, er is geen verzekeringsdekking. De rechtbank gaat op dit primaire verweer echter niet in, maar focust zich op de strijd met de waarheidsplicht.

Afsluiting

De rechtbank Den Haag maakt duidelijk dat het ontbreken van een contractuele relatie niet betekent dat een benadeelde vrij spel heeft richting de verzekeraar. Wie onjuiste informatie verstrekt of relevante feiten achterhoudt, loopt het risico dat zijn vordering strandt.

De boodschap voor de praktijk is helder: ook in WAM‑zaken blijft eerlijkheid essentieel. Misleiding kan niet via artikel 7:941 lid 5 BW worden gesanctioneerd, maar vindt haar correctie in het algemene vermogensrecht.