• Bij besluit van 24 januari 2020 heeft de ACM vastgesteld dat Liander in strijd heeft gehandeld met artikel 23, lid 1, van de E-wet door te weigeren Raedthuys een kostenindicatie te geven voor het realiseren van een aansluiting van de windturbines van Raedthuys in het Windpark Zeewolde op het elektriciteitsnet.
  • In zijn uitspraak van 12 oktober 2021 wijst het CBb wijst op de wettelijke verplichting van Liander, namelijk dat zij als netbeheerder verplicht is om degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door haar beheerde openbare elektriciteitsnet. Ook stelt het CBb vast dat een uitzondering op die verplichting, die is opgenomen in artikel 1, lid 6, E-wet niet opgaat nu Raedthuys en de exploitanten van andere windturbines in Windpark Zeewolde, niet tot dezelfde onderneming of instelling behoren.
  • Het beroep van Liander is daarom ongegrond verklaard. Daarmee blijf het besluit van de ACM van 24 januari 2020 overeind.

Aansluiting windturbines op elektriciteitsnet geweigerd

Als gevolg van een saneringsoperatie in de provincie Flevoland zijn meer dan 200 kleinere windturbines vervangen door 91 grotere windturbines. Deze windturbines staan in het Windpark Zeewolde. Naast de vier windturbines van Raedthuys bestaat Windpark Zeewolde uit vier windturbines van Eneco Wind B.V. (Eneco) en 83 windturbines van Windpark Zeewolde B.V. (WPZ). Voor dit gehele windpark is één rijksinpassingsplan vastgesteld, is één vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verleend en is één omgevingsvergunning verleend.

 

Raedthuys heeft Liander verzocht om een kostenindicatie voor een eigen aansluiting van haar windturbines op het openbare elektriciteitsnet. Liander heeft op 20 december 2017 aangegeven niet in te gaan op dat verzoek. Liander is van mening dat de windturbines van Raedthuys onderdeel zijn van één productie-installatie waarvoor maar één gezamenlijk aansluiting gerealiseerd hoeft te worden, namelijk het Windpark Zeewolde. Als gevolg hiervan heeft Raedthuys een aanvraag tot geschilbeslechting bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) gedaan. Volgens Raedthuys zou de beslissing van Liander de vrije nettoegang en de vrije leverancierskeuze compliceren en daarmee de financierbaarheid van het project van Raedthuys bemoeilijken.

Klacht gegrond verklaard

Bij besluit van 24 januari 2020 heeft de ACM de klacht van Raedthuys gegrond verklaard en vastgesteld dat Liander in strijd heeft gehandeld met artikel 23, lid 1, van de Elektriciteitswet 1998 (E-wet) door te weigeren Raedthuys een kostenindicatie te geven voor het realiseren van een aansluiting van de windturbines. Volgens de ACM is de uitzondering van artikel 1, lid 6, E-wet niet van toepassing, omdat niet is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van dit artikel. De ondernemingen die windturbines exploiteren in Windpark Zeewolde zijn namelijk verschillende ondernemingen en Raedthuys is op geen enkele manier organisatorisch verbonden met de overige ondernemingen en werkt daar ook niet mee samen. De ACM heeft vastgesteld dat er dan ook geen sprake is van een uitzondering op de hoofdregel dat de netbeheerder moet voorzien in één aansluiting per WOZ-object. Dat Liander de 91 windturbines tezamen kwalificeert als één productie-installatie is volgens de ACM niet relevant. Liander heeft beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) ingesteld tegen het besluit van de ACM.

 

Bij besluit van 8 juli 2020 heeft de ACM aan Vogelweg HV Station B.V. een ontheffing verleend voor het beheer van een eigen elektriciteitsnet, een gesloten distributiesysteem (GDS). Hierop zou onder meer Raedthuys worden aangesloten.

Aansluiting op GDS sluit geschilbeslechting niet uit

De eerste vraag die zich bij het CBb voordoet is of Raedthuys gezien het laatst genoemde besluit van 8 juli 2020 nog belang had bij een inhoudelijke beslissing van de ACM op haar klacht. Liander had aangevoerd dat dat niet zo was, aangezien de windturbines van Raedthuys niet zouden worden aangesloten op Liander, maar op het GDS. Volgens Liander was er dus ook geen sprake van een geschil en kon daarom ook geen gebruik worden gemaakt van de geschilprocedure bij de ACM in de zin van artikel 51 van de E-wet. Daarbij wees Liander er ook op dat Raedthuys blijkbaar in 2019 al aansluit- en transportovereenkomsten had gesloten met Vogelweg HV Station B.V. voor de aansluiting op het GDS.

 

Het CBb stelt echter vast dat Raedthuys belang had bij een inhoudelijke beslissing van de ACM. Daarvoor is van belang dat de mogelijke aansluiting op het GDS pas bij de verlening van de ontheffing op 8 juli 2020 concreet is geworden. Het geschilbesluit van de ACM is ruim daarvóór, namelijk op 24 januari 2020, genomen. Toen was er naar het oordeel van het CBb voor de ACM geen aanleiding om af te zien van een inhoudelijke beoordeling van de klacht van Raedthuys.

 

Ook stelt het CBb vast dat het betoog dat de aansluitplicht van Liander is komen te vervallen vanaf de ontheffing van 8 juli 2020, waardoor Raedthuys aanspraak kan maken op een aansluiting op een GDS, buiten de omvang van dit geding valt.

Uitzondering aansluitplicht gaat niet op

Vervolgens gaat het CBb na of de ACM de klacht in het kader van artikel 51 E-wet terecht gegrond heeft verklaard door vast te stellen dat Liander als netbeheerder niet aan haar verplichtingen op grond van de E-Wet heeft voldaan door geen kostenindicatie te verstrekken voor een eigen aansluiting voor Raedthuys. In dat verband wijst het CBb op de wettelijke verplichting van Liander, namelijk dat zij als netbeheerder op grond van artikel 23, lid 1, van de E-wet, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de E-wet, verplicht is om degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door haar beheerde openbare elektriciteitsnet. Van belang is ook artikel 1, lid 6, E-wet, waarin voor windparken op land voorzien is in een uitzondering op dit uitgangspunt. Die bepaling luidt als volgt: “Productie-installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie of zonne-energie op het land die behoren tot eenzelfde onderneming of instelling en die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen, worden geacht te beschikken over één aansluiting. De netbeheerder en de producent kunnen meerdere aansluitingen overeenkomen indien dit tot lagere kosten voor de netbeheerder leidt.” Het CBb leidt hier drie cumulatieve voorwaarden uit af.

 

Aan die drie voorwaarden wordt in dit geval niet voldaan, wat betekent dat uitzondering van artikel 1, lid 6, E-wet niet opgaat. De belangrijkste overweging daarbij is dat de windturbines van Raedthuys niet behoren tot dezelfde onderneming of instelling als de overige windturbines op het windpark (Eneco en WPZ). Dat die ondernemingen bij de vergunningverlening samen hebben opgetrokken, is naar het oordeel van het CBb niet voldoende om te concluderen dat sprake is van eenzelfde onderneming of instelling. Het betoog van Liander dat de productie-eenheden (windturbines) in het windpark zodanig geografisch, technisch, functioneel en organisatorisch met elkaar samenhangen dat sprake is van één productie-installatie in de zin van artikel 1 E-wet is daarom hoe dan ook niet van belang.

 

Andere stellingen van Liander, waaronder dat bij de vaststelling van de reikwijdte van haar aansluitplicht rekening moet worden gehouden met de veranderende maatschappelijke ontwikkeling over de realisatie van grote windparken, worden ook van de hand gewezen. Het CBb merkt ten aanzien van die stelling op dat het primair aan de wetgever is om deze gewijzigde maatschappelijke omstandigheden te betrekken in de wet- en regelgeving.

Strike benadering

Het CBb toetst strikt of voldaan is aan de voorwaarden van de uitzondering op de hoofdregel dat een aansluiting op het elektriciteitsnet moet worden gerealiseerd. Dat aan een van die voorwaarden, namelijk dat een productie-installatie tot dezelfde onderneming of instelling moet behoren, niet is voldaan is in principe duidelijk in deze zaak. De insteek van Liander dat de productie-installatie Windpark Zeewolde, bestaande uit 91 windturbines, als één geheel dient te worden gezien en dientengevolge via één aansluiting op het net dient te worden aangesloten, sluit niet aan bij de tekst van de uitzonderingsgrond. In dat opzicht is het ook te begrijpen dat het CBb verwijst naar de wetgever die aan zet is als rekening moet worden gehouden met de situatie dat steeds meer grote windparken worden gerealiseerd.

 

Voor meer informatie of vragen over onder meer de aansluitplicht op grond van de E-wet, kunt u contact opnemen met Ekram Belhadj, specialist in ons team Energie & Duurzaamheid.