De ontwikkeling van zonneparken in Nederland is als gevolg van de energietransitie sterk in opkomst. Voor de totstandkoming van deze parken is evenwel vaak een wijziging van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning vereist.

Tegen deze besluiten kan en wordt ook meer en meer geprocedeerd, vooral door omwonenden van de betreffende zonneparken.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) heeft op 25 november 2020 een uitspraak gedaan (ABRvS, ECLI:NL:RVS:2020:2801) waarin de vraag aan de orde komt wie als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de ontwikkeling van een zonnepark en als zodanig daartegen bestuursrechtelijk kan procederen. Op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) kan immers alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

 

De vaste regel van de Afdeling luidt daarbij dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit tenzij die gevolgen geen gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt onder meer acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat.

Zonnepark met grondwal

In deze uitspraak gaat het om de ontwikkeling van een zonnepark met een omvang van ongeveer 9 hectare in de gemeente Wijchen. Onderdeel van het project is een grondwal van drieënhalve meter hoog met daarop beplanting van één tot anderhalve meter hoog om de zonnepanelen aan het zicht te onttrekken. Het college van B&W van Wijchen verleent voor dit project een omgevingsvergunning voor het aanleggen van het zonnepark. Een 7-tal omwonenden komt op tegen deze omgevingsvergunning. Zij menen hinder te ondervinden van het nieuwe zonnepark.

 

Van belang is dat de percelen van deze personen op ten minste 610 meter afstand liggen van het perceel. Slechts vanaf drie van de zeven percelen bestaat enig zicht op het perceel waarop het zonnepark is voorzien. Duidelijk is verder dat de omwonenden geen geluidhinder zullen ondervinden. Het beroep van de omwonenden wordt in eerste aanleg bij de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank ondervinden de betreffende personen geen gevolgen van enige betekenis waardoor zij niet als belanghebbend zijn aan te merken. Bij de Afdeling ligt dit oordeel in hoger beroep voor.

Oordeel Afdeling

Een belangrijke factor voor wat betreft de belanghebbendheid betreft volgens de Afdeling het zicht dat drie van de zeven appellanten hebben vanaf hun perceel op het zonnepark.
Ten aanzien van het eerste perceel stelt de Afdeling vast dat door de dichte begroeiing op het perceel en de bosschages en gebouwen die tussen dit perceel en het perceel staan, het zicht vanaf dit perceel op het perceel al is beperkt. De Afdeling acht daarom niet aannemelijk dat vanaf dit perceel nog visuele hinder van enige betekenis zal worden ondervonden van de voorziene grondwallen en het zonnepark.

 

Voor wat betreft de twee andere percelen heeft het college van B&W een foto met een impressie overgelegd van het zicht op het perceel vanaf een positie ter hoogte van de percelen. De Afdeling vindt op basis daarvan niet aannemelijk dat de horizon op die foto wezenlijk afwijkt van hetgeen na de aanleg van het zonnepark zal kunnen worden waargenomen met het blote oog. De Afdeling acht het ook voor die percelen niet aannemelijk dat vanwege het zonnepark visuele gevolgen van enige betekenis voor het woon- en leefklimaat zullen worden ondervonden.
Bij een gebrek aan zicht, meent de Afdeling vervolgens ook dat niet aannemelijk is dat de appellanten hinder van enige betekenis zullen ervaren als gevolg van reflectie van het zonlicht op de zonnepanelen. De Afdeling concludeert daarom dat de gevolgen van de vergunde activiteiten voor de woon- en leefsituatie van appellanten niet van dien aard en omvang zijn dat zij als belanghebbende kunnen worden aangemerkt.

Voor de praktijk

Bij de beoordeling van de kring van belanghebbenden bij een zonnepark is de eerste en mogelijk belangrijkste vraag welke personen zicht (zullen) hebben op het zonnepark. Voor wat betreft de beoordeling hiervan is relevant om de visuele beperkingen te inventariseren op (1) het perceel van de appellant zelf en (2) tussen het perceel van de appellant en het projectgebied.

 

Voor wat betreft de eerste categorie wijs ik daarbij nog kort op de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2205). Daarin was sprake van een appellant wiens woning werd omringd door een heg, die het zicht op een toekomstig zonnepark blokkeerde. In die procedure werd echter duidelijk gemaakt dat de appellant deze heg, die op zijn eigen perceel staat, wilde verwijderen en dat hij dat alleen nog niet gedaan had, omdat hij eerst wil weten of het zonnepark mag worden aangelegd. Gegeven die omstandigheden diende volgens de Afdeling te worden uitgegaan van het zicht dat de appellant zou hebben als de heg niet op het perceel zou staan. Omdat hij in dat geval zicht zou hebben op het zonnepark, was hij als belanghebbende aan te merken.

 

Wanneer evenwel niet of nauwelijks zicht zal bestaan op het zonnepark, vanwege de afstand of vanwege al aanwezige beperkingen, en er van andere factoren (zoals geluidhinder of extra verkeersbewegingen) geen sprake is, zal een omwonende niet snel als belanghebbende zijn aan te merken.