Wanneer in een schoolgebouw een ontwerpfout aan het licht komt, rijst al snel de vraag of het schoolbestuur aanspraak kan maken op gemeentelijke bekostiging voor herstel van een constructiefout. In een uitspraak van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3666) maakt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) duidelijk dat niet iedere ontwerpfout kwalificeert als een constructiefout waarvoor gemeentelijke bekostiging moet worden verstrekt. De uitspraak bevestigt bovendien dat gemeenteraden ruimte hebben om het begrip ‘constructiefout’ nader in te vullen in hun gemeentelijke onderwijshuisvestingsverordening.

Achtergrond

In de kwestie die ten grondslag lag aan deze uitspraak bleek na oplevering van een schoolgebouw in Kesteren dat de klimaatinstallatie niet toereikend was. Uit verschillende onderzoeken volgde dat de installatie door een ontwerpfout niet voldeed aan de eisen van het Bouwbesluit 2003. Het bevoegd gezag, Stichting voor Onderwijs op Reformatorische Grondslag (hierna: de Stichting), liet de installatie vervolgens op eigen kosten uitbreiden. De daarmee gemoeide kosten bedroegen ongeveer € 2,4 miljoen. Een deel daarvan werd door het Rijk gesubsidieerd.

 

De Stichting heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe (hierna: het college) verzocht om bekostiging van deze kosten in de vorm van een voorziening in de onderwijshuisvesting voor herstel van een constructiefout. Volgens de stichting was sprake van een ontwerpfout waarvoor op grond van de destijds geldende Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de Wvo) een huisvestingsvoorziening moest worden verstrekt.

 

Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens hem geen sprake is van herstel van een constructiefout in de zin van artikel 76c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvo en artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Neder-Betuwe 2015 (de Verordening). Bij zijn beslissing op bezwaar is het college bij zijn standpunt gebleven. In beroep heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. De Stichting stelde tegen de uitspraak hoger beroep in bij de Afdeling.

 

Beoordelingsruimte

In hoger beroep ligt allereerst de vraag voor of de gemeenteraad bevoegd was het begrip ‘constructiefout’ nader te definiëren in de gemeentelijke huisvestingsverordening. Volgens de Stichting was daarvoor geen ruimte. Volgens haar heeft de wetgever beoogd alle ontwerpfouten, uitvoeringsfouten en andere fouten, die resulteren in wanprestatie voor rekening van het college te brengen. De gemeentelijke definitie van het begrip ‘constructiefout’ is daarom te beperkt.

 

De Afdeling volgt dit standpunt niet. Zij wijst erop dat in de memorie van toelichting van de Wvo (Kamerstukken II 1995/96, 24 455, nr. 3, p. 29-30) is vermeld dat in elk geval de voorzieningen die in de wet zelf globaal zijn aangegeven, in de gemeentelijke verordening worden uitgewerkt. De Wvo bevat geen definitie van het begrip ‘constructiefout’. De voorziening voor herstel van een constructiefout is daarmee slechts globaal in de Wvo omschreven. Gemeenteraden hebben daarom ruimte om in hun huisvestingsverordening nader invulling te geven aan dit begrip.

 

Hoewel de Afdeling hier in de uitspraak van 24 juni 2026 niet expliciet naar verwijst, sluit deze overweging van de Afdeling aan bij haar eerdere uitspraak van 13 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BK9008). De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland volgt dezelfde lijn in haar uitspraak van 10 juni 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:3569).

 

Verder volgt volgens de Afdeling niet uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wvo dat de invulling die de gemeenteraad van Neder-Betuwe heeft gegeven aan het begrip ‘constructiefout’ enger is geformuleerd dan de wetgever heeft beoogd. De gemeenteraad mocht het begrip daarom invullen zoals gedaan in artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening. Daarmee staat tevens vast dat het college de aanvraag van de Stichting aan die definitie mocht toetsen.

 

Geen sprake van constructiefout

De Afdeling komt vervolgens toe aan de vraag of de gebrekkige klimaatinstallatie onder de definitie van ‘constructiefout’ uit artikel 2, onder b, van de Verordening valt, zoals de Stichting betoogt. Volgens die definitie is sprake van een constructiefout bij schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals bij kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie. Daarnaast volgt uit onderdeel A9 van bijlage I bij de Verordening dat een bouwkundig rapport moet uitwijzen dat sprake is van constructiefouten die herstel behoeven.

 

Volgens de Stichting maakt de klimaatinstallatie onderdeel uit van het gebouw, omdat deze aard- en nagelvast met het gebouw is verbonden. Voor de uitbreiding van de installatie waren ingrijpende bouwkundige aanpassingen noodzakelijk. Daarnaast is er ook sprake van een ontwerpfout, uitvoeringsfout of wanprestatie waardoor nog niet zichtbare materiële schade ontstaat. Het gebrek in de klimaatinstallatie is terug te voeren op een ontwerpfout, en zou op lange termijn onherroepelijk resulteren in schade aan het gebouw. Daarmee wordt volgens de Stichting voldaan aan de definitie van het begrip ‘constructiefout’.

 

De Afdeling volgt dit standpunt niet. Hoewel uit overgelegde rapporten blijkt dat sprake is van een gebrekkige klimaatinstallatie die is veroorzaakt door een ontwerpfout, blijkt uit die rapporten niet dat deze ontwerpfout heeft geleid of zal leiden tot materiële schade aan het gebouw. De gebrekkige installatie is daarom geen constructiefout als bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Om die reden heeft het college de aanvraag terecht afgewezen.

 

Tot besluit

De uitspraak van de Afdeling bevestigt dat niet iedere ontwerpfout in een schoolgebouw automatisch kwalificeert als een constructiefout waarvoor gemeentelijke bekostiging moet worden verstrekt. Doorslaggevend daarvoor is de definitie van het begrip ‘constructiefout’ in de gemeentelijke onderwijshuisvestingsverordening. Daarbij hebben gemeenteraden beoordelingsruimte om in hun huisvestingsverordening invulling te geven aan dat begrip.

 

Voor bevoegde gezagen van scholen betekent dit dat een aanvraag om een voorziening voor herstel van een constructiefout alleen kansrijk is wanneer wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de definitie van het begrip ‘constructiefout’ in de onderwijshuisvestingsverordening. Afhankelijk van de daarin opgenomen definitie kan het enkele feit dat een gebouw niet voldoet aan bouwtechnische voorschriften onvoldoende zijn om aanspraak te maken op bekostiging van herstel van een constructiefout.

 

Praktijktip: controleer bij (de beoordeling van) een aanvraag om een voorziening voor herstel van een constructiefout altijd eerst hoe dat begrip in de gemeentelijke onderwijshuisvestingsverordening is omschreven. Deze uitspraak van de Afdeling laat zien dat de definitie van het begrip ‘constructiefout’ in de gemeentelijke onderwijshuisvestingsverordening bepalend kan zijn voor de vraag of een aanvraag wordt toe- of afgewezen.