De discussie over houtstook en de daaruit voortvloeiende overlast wordt steeds prominenter. Gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met bewoners die vanwege gezondheidsklachten of hinder om handhavend optreden verzoeken. In een eerder blog stonden wij stil bij de mogelijkheden voor gemeenten om handhavend op te treden tegen het stoken met houtkachels binnenshuis. Daarbij besteedden wij aandacht aan de komst van de Omgevingswet, de specifieke zorgplicht uit artikel 22.18 en 22.20 van de Bruidsschat en de STAB-methodiek. Omdat het thema sindsdien alleen maar actueler is geworden, staan wij in dit blog opnieuw stil bij de laatste ontwikkelingen in de rechtspraak en praktijk. In het bijzonder zullen wij ingaan op twee uitspraken van de Afdeling van 18 maart 2026 en de in juni gepubliceerde Blauwdruk handhaving houtstook. Voordat wij daarop ingaan, schetsen wij eerst het relevante wettelijke kader.

Vóór de Omgevingswet werd handhaving van (geur)hinder door houtstook doorgaans gebaseerd op artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel fungeerde als kapstokbepaling en bood het bevoegd gezag de mogelijkheid om op te treden tegen hinder, gezondheidsrisico’s of veiligheidsrisico’s als gevolg van houtstook.

 

Sinds 1 januari 2024 is het Bouwbesluit 2012 vervallen. De zorgplicht van artikel 7.22 is sindsdien opgenomen in artikel 22.18 (voor bouwwerken) en artikel 22.20 (voor open erven en terreinen) van de Bruidsschat en maakt daarmee deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dat de specifieke zorgplicht van artikel 22.18 ook van toepassing is op houtkachels en open haarden in een bouwwerk, is bevestigd in een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (uitspraak van 22 juli 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3432).

 

Daarnaast biedt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) een grondslag voor handhavend optreden. Paragraaf 3.3.4 van het Bbl bevat bouwtechnische eisen voor rookgasafvoer en verbrandingsluchttoevoer bij bestaande bouw en nieuwbouw. Indien niet aan deze eisen wordt voldaan, kan het college als bevoegd gezag handhavend optreden.

 

Tot slot kan tegen houtstookoverlast worden opgekomen via een beroep op onrechtmatige (geur)hinder als bedoeld in artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 6:162 BW.

Uit de rechtspraak blijkt dat handhavend optreden tegen houtstook(overlast) nog steeds lastig is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bestaan er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de vraag óf, en zo ja onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook van een houtkachel schade aan de gezondheid toebrengt. Ook publicaties van onder meer de WHO en de GGD bieden volgens de Afdeling geen eenduidige norm waaruit volgt vanaf welk niveau van blootstelling gezondheidsschade optreedt.

 

De Afdeling heeft deze lijn recent opnieuw bevestigd in twee uitspraken van 18 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1330 en ECLI:NL:RVS:2026:1446). Beide zaken zijn gewezen onder oud recht en zien dus op artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Wij lichten de uitspraken hieronder nader toe.

In de zaak uit Heemstede klaagde een omwonende over een houtkachel waarvan het rookkanaal langs de achtergevel van de woning van haar buurman liep. Zij stelde als gevolg van het gebruik van de houtkachel aanzienlijke geur- en gezondheidsklachten te ondervinden.

 

Het college onderzocht of het gebruik van het rookkanaal voor houtstook in strijd was met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Tijdens acht controles in de stookperiode heeft de gemeente geen rook- of geuroverlast waargenomen. Het college concludeerde daarom dat geen sprake was van strijd met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 en wees het handhavingsverzoek af.

 

In hoger beroep herhaalt de Afdeling haar vaste rechtspraak dat geen algemeen aanvaarde inzichten bestaan over de schadelijkheid van houtstook. Ook biedt de enkele omstandigheid dat bij het gebruik van houtkachels schadelijke stoffen kunnen vrijkomen onvoldoende grondslag voor het oordeel dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 wordt overtreden. Verder ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het door het college verrichte onderzoek en acht zij de uitgevoerde controles representatief. Het college mocht zich daarom op de resultaten van die controles baseren en heeft terecht afgezien van handhavend optreden.

In een zaak binnen de gemeente Eindhoven stond eveneens een verzoek om handhavend op te treden tegen houtrook afkomstig van een naastgelegen perceel centraal. Het college had dit verzoek afgewezen. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het gebruik van een houtkachel gezondheidsschade veroorzaakt en dat sprake was van een schending van artikel 8 EVRM en artikel 22 van de Grondwet. Daarnaast verwees zij naar het Schone Lucht Akkoord, waarin de gezondheidsrisico’s van houtrook door particuliere houtkachels worden beschreven.

 

Ook in deze uitspraak handhaaft de Afdeling haar vaste rechtspraak. De Afdeling ziet op grond van hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de Afdeling dat tijdens een controle terwijl de houtkachel brandde, geen hinderlijke of schadelijke rook, stank of walm werd waargenomen. Ook de door appellante overgelegde sensormetingen, temperatuurregistraties en eigen waarnemingen boden volgens de Afdeling onvoldoende objectieve grondslag voor een ander oordeel. Omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige blootstelling aan houtrook dat haar gezondheid ernstig wordt aangetast, is artikel 8 EVRM niet van toepassing.

 

Het beroep op artikel 22 van de Grondwet slaagde evenmin. De Afdeling overweegt dat deze bepaling een inspanningsverplichting voor de overheid bevat ter bevordering van de volksgezondheid, maar zich in beginsel niet leent voor rechtstreekse toetsing door de rechter.

 

Ook het beroep op het Schone Lucht Akkoord hield geen stand. De Afdeling overweegt dat dit een bestuurlijke afspraak betreft zonder juridisch bindende werking. Het akkoord bevat beleidsmatige uitgangspunten, maar schept geen afdwingbare normen op grond waarvan het college gehouden was handhavend op te treden.

De hiervoor besproken uitspraken zien nog op (het oude) artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Over handhaving tegen houtstookoverlast onder de Omgevingswet is vooralsnog weinig rechtspraak verschenen. Voor zover ons bekend is tot op heden slechts één uitspraak gewezen waarin artikel 22.18 van de Bruidsschat centraal stond (ECLI:NL:RBNNE:2026:679). In die zaak vernietigde de rechtbank het besluit op een handhavingsverzoek wegens een motiveringsgebrek. Omdat de rechtbank zich niet inhoudelijk heeft uitgelaten over de vraag wanneer sprake is van een overtreding van artikel 22.18, biedt deze uitspraak voor de praktijk nog weinig houvast.

 

Terwijl de hierboven besproken uitspraken bevestigen dat handhavend optreden tegen houtstookoverlast juridisch gezien nog steeds lastig is, zoeken gemeenten tegelijkertijd naar manieren om de handhaving in de praktijk beter vorm te geven. In dat kader is recent de Blauwdruk handhaving houtstook gepubliceerd.

Op 31 maart 2026 werd de Blauwdruk handhaving houtstook gepubliceerd. De blauwdruk geeft antwoord op een vraag die bij veel gemeenten leeft: hoe maak je beleid over houtstook daadwerkelijk uitvoerbaar?

 

De blauwdruk biedt daarvoor vier samenhangende handhavingsroutes, die afzonderlijk of in combinatie kunnen worden ingezet. Route A richt zich op preventie en beïnvloeding door het voorkomen van overtredingen en het stimuleren van naleving. Route B ziet op toezicht en interventie door waarnemingen ter plaatse en actief optreden. Route C richt zich op regulering en borging door het vastleggen van regels in het omgevingsplan. Route D ziet op de organisatorische inrichting van houtstookhandhaving en richt zich op registratie, monitoring en sturing.

 

De blauwdruk beoogt daarmee gemeenten beter inzicht te geven in hoe ze overlast door houtstook, zowel binnen als buiten, kunnen aanpakken.

De recent gepubliceerde Blauwdruk handhaving houtstook biedt gemeenten weliswaar praktische handvatten om toezicht en handhaving beter vorm te geven, maar laat de bestaande juridische kaders en de daarover ontwikkelde rechtspraak onverlet.

 

De uitspraken van 18 maart 2026 bevestigen dat de Afdeling haar strenge lijn voortzet. Zonder een objectief vastgestelde overtreding en algemeen aanvaarde inzichten over de vraag óf, en zo ja onder welke omstandigheden en bij welke frequentie, rook van een houtkachel schade aan de gezondheid toebrengt, heeft een handhavingsverzoek weinig kans van slagen.

 

Zolang de Afdeling vasthoudt aan haar huidige lijn, blijft handhaving tegen houtstookoverlast in individuele gevallen een complexe opgave.

Heeft u naar aanleiding van dit blog vragen? Neem dan gerust contact met ons op.