De rechtbank Rotterdam oordeelde op 21 januari 2026 in deelgeschil over een overlijdensschadekwestie (ECLI:NL: RBROT:2026:530). In deze zaak ging het om minderjarige Nederlandse kinderen die hun ouders verloren bij een eenzijdig verkeersongeval. Deze kinderen zijn vervolgens opgenomen binnen de gezinsband van hun grootouders die woonachtig zijn in Marokko. Deze grootouders en een tante houden zich bezig met het verrichten van huishoudelijke taken ten behoeve van de kinderen en leveren een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Wettelijk kader: artikel 6:108 BW

Artikel 6:108 lid 1 BW geeft ruimte voor een aanspraak op gederfd levensonderhoud in natura in een situatie als de onderhavige. Een dergelijke schade wordt bepaald door de behoefte van de nabestaanden om in het levensonderhoud te voorzien op zo’n manier dat eenzelfde levensstandaard kan worden voortgezet, zoals die voor het overlijden bestond. Een dergelijke schade moet worden begroot op basis van daadwerkelijk gemaakte kosten van een ingehuurde professionele hulp en/of de bespaarde kosten van een professionele hulp indien de zorgtaken (in redelijkheid) niet door een professionele hulp worden vervuld. In dit geval dus de taken die worden verricht door de grootouders en de tante.

Twistpunt: Nederlandse of lokale maatstaven?

Tussen partijen is in deze procedure onder meer in debat of die bespaarde kosten moeten worden begroot naar Nederlandse maatstaven dan wel naar de lokale maatstaven in het land waar het levensonderhoud in natura wordt verstrekt. Hierbij moet gekeken worden naar de behoefte aan een vergoeding voor gederfd levensonderhoud in natura binnen de concrete omstandigheden waarin de kinderen verkeren. Van deze concrete omstandigheden kan worden geabstraheerd om te vermijden dat de onderhoudslast van minderjarige kinderen wordt gelegd op de naasten die de zorg voor hen op zich hebben genomen in plaats van op de aansprakelijke persoon. Dat zou een onredelijk resultaat opleveren. In casu gaat het om zorg en aandacht voor de kinderen in dezelfde mate als wanneer de ouders niet zouden zijn overleden. Dat vertaalt zich in uren die daaraan worden besteed en die moeten worden vergoed.

Argumenten van de nabestaanden

Namens de kinderen werd betoogd dat bij de begroting van bespaarde kosten voor professionele hulp moet worden geabstraheerd van de concrete omstandigheden omdat in de situatie zonder het overlijden van de ouders het gezin in Nederland zou zijn blijven wonen, de overige aspecten van de overlijdensschade op basis van Nederlandse maatstaven wordt begroot en het de wens van de grootouders is om de kinderen op enig moment naar Nederland te laten terugkeren (en dus moet worden voorkomen dat de bespaarde kosten voor professionele hulp op een te laag niveau zijn begroot in dat verband).

Oordeel van de rechtbank Rotterdam

De rechtbank ziet geen aanleiding om te abstraheren van de concrete omstandigheden in die zin dat wordt uitgegaan van de fictie dat de professionele hulp in Nederland wordt ingehuurd. Het gaat erom dat de kinderen dezelfde mate van zorg en aandacht krijgen en daarvoor is het niet nodig een hoger tarief te hanteren voor een ingehuurde of bespaarde professionele hulp dan gebruikelijk is in het land waar de kinderen wonen. Wel moet bij het begroten van de schade voor gederfd levensonderhoud in natura rekening worden gehouden met de kans dat de kinderen voor hun meerderjarigheid zullen terugkeren in Nederland. Het is aan partijen om in hun onderhandelingen daar vorm aan te geven.

In mijn optiek op dit aspect een heldere uitspraak die ook recht doet aan de concrete situatie van de minderjarige kinderen.