Het coalitieakkoord kent veel positieve elementen, zoals de inzet op preventie, jeugdzorg en personeelstekorten in de zorg. Het creëren van een gelijker speelveld tussen ziekenhuizen en behandelcentra en de aandacht voor GGZ passen daar ook bij. Toch worden zorgaanbieders met het akkoord ook voor nog meer uitdagingen geplaatst. Ons vielen vanuit het perspectief van de zorgaanbieder twee punten in het bijzonder op. De forse bezuinigingen op de langdurige zorg springen het meest in het oog. Daarnaast valt ons op dat de positie van zorgverzekeraars wordt versterkt doordat niet-gecontracteerde zorg niet langer vergoed wordt.
Forse bezuinigingen op de langdurige zorg
In het akkoord wordt vrij uitvoerig ingegaan op een verdere verschuiving van intramurale zorg naar zorg thuis. Het scheiden van wonen en zorg is niet nieuw, maar de ontkoppeling tussen de woon- en verblijfscomponent van de zorgcomponent met één Pakket Thuis lijkt wel een nieuwe stap te zijn in deze scheiding.
Ook wil de coalitie de doelmatigheid in de Wlz verbeteren via passende zorg, kwaliteitsnormen en ‘bijbehorende tarieven’. Wat wordt bedoeld met die bijbehorende tarieven wordt in de tekst van het akkoord niet duidelijk, maar de budgettaire bijlage maakt duidelijk dat er fors zal worden gesneden in de budgetten. De bezuinigingen op de Wlz hebben direct na publicatie van het coalitieakkoord al veel stof doen opwaaien. Dat verbaast niet, gelet op de discussies die de afgelopen jaren al over de bezuinigen op de Wlz werden gevoerd en de juridische procedures over de inkooptrajecten Wlz in 2020 en 2023. Het inkooptraject Wlz voor 2027 e.v. dat dit jaar zal plaatsvinden, zal naar verwachting opnieuw tot veel discussie leiden. Volgens vaste rechtspraak zijn de zorgkantoren gehouden om met de tarieven de kosten van de redelijk efficiënt functionerende aanbieder te dekken. Dat zou betekenen dat de kosten van zorgaanbieders eerst verantwoord moeten worden aangepakt voordat de bezuinigingen kunnen worden geëffectueerd.
Vooralsnog is echter niet duidelijk op welke manier de bezuinigingen op een verantwoorde manier door zorgaanbieders moeten worden opgevangen. Zolang die maatregelen ontbreken vragen wij ons af hoe de forse bezuinigingen zich verhouden tot de zorgplicht van de Staat (artikel 22 Grondwet). Opvallend is in dat verband ook de stelling in het akkoord dat het VN-verdrag Handicap zal worden uitgevoerd. Kan dat wel worden gezegd met deze forse bezuinigingen die onvermijdelijk impact zullen hebben op het leven van mensen met een beperking?
Een andere besparingspost betreft de huishoudelijke hulp die met een vangnet uit de Wmo 2015 wordt gehaald met ingang van 1 januari 2029. Mensen die dat kunnen gaan deze hulp zelf betalen. Gemeenten blijven alleen in deze hulp voorzien aan de inwoners die daar niet toe in staat zijn. Deze ontwikkeling sluit aan bij het (controversieel verklaarde) wetsvoorstel Wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015 dat een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo 2015 (her)introduceert.
Versteviging positie zorgverzekeraars
Ook valt op dat de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg per 1 januari 2029 wordt afgeschaft. Zorgverzekeraars moeten zorg uit het basispakket voldoende contracteren, aldus het akkoord, maar die verplichtingen hebben zij ook nu al. Wij voorzien dan ook een onredelijke versterking van de positie van zorgverzekeraars wanneer niet-gecontracteerde zorg niet langer wordt vergoed, zonder bijbehorende waarborgen die evenwicht creëren tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Het inkoopproces wordt nu al door veel aanbieders ervaren als een kwestie van tekenen bij het kruisje. De recente rechtspraak over de verplichting onder de Zorgverzekeringswet reële tarieven te betalen maakt bovendien duidelijk dat die plicht slechts onder bijzondere omstandigheden geldt. De afschaffing van de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg zwakt de onderhandelingspositie van zorgaanbieders dus naar verwachting nog verder af, zeker waar het gaat om nieuwe zorgaanbieders die niet direct een contract met zorgverzekeraars krijgen. De positie van nieuwe aanbieders staat al jaren onder druk vanwege het uitgangspunt van contractsvrijheid waardoor zorgverzekeraars niet kunnen worden gedwongen tot het aangaan van contracten met nieuwe aanbieders.
Wat in dit verband ook opvalt is dat de afschaffing van de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg wordt gepresenteerd als een instrument voor het streven naar ‘passende zorg’. Dat verlangt echter dat zorgverzekeraars hun grotere verantwoordelijkheid om te sturen op passende zorg ook nemen en bereid zijn om nieuwe aanbieders die wél passende zorg bieden toe te laten tot de groep gecontracteerde aanbieders.
De positie van zorgverzekeraars wordt bovendien verder versterkt door de uitbreiding van de informatiepositie van zorgverzekeraars ten opzichte van zorgaanbieders. De coalitie wil een wettelijk instrumentarium invoeren, gericht op zorgaanbieders, zodat zorgverzekeraars beter kunnen sturen op de inkoop van passende zorg.
Conclusie
Dat de zorgkosten onder druk staan is een gegeven. Daarmee staat ook vast dat besparingen moeten worden doorgevoerd. Voor zorgaanbieders is het echter van fundamenteel belang dat zij worden ondersteund bij het opvangen van deze klappen en dat er voldoende waarborgen bestaan waarmee de positie van zorgaanbieders voldoende wordt bewaakt. Of de bezuinigingen op de Wlz op korte termijn juridisch haalbaar zijn vragen wij ons af. Dat zal naar verwachting blijken als de nieuwe inkooptrajecten Wlz halverwege dit jaar worden gepresenteerd. Intussen is de oppositie nu aan zet voor het creëren van genoemde waarborgen en maatregelen, ter versterking van de positie van zorgaanbieders.
Wij houden u op de hoogte van verdere ontwikkelingen. Heeft u vragen over de inkoop van zorg, neemt u dan vooral contact op met onze sectie gezondheidsrecht. Wij adviseren u graag.


