De Rechtbank Noord-Nederland heeft in een uitspraak van 26 november 2025 geoordeeld dat individuele begeleiding per definitie geen algemene voorziening maar een maatwerkvoorziening is op grond van de Wmo 2015. Naar het oordeel van de rechtbank is bepalend dat individuele begeleiding altijd moet worden afgestemd op de individuele behoefte van de persoon. Deze voorziening kan daarom volgens de rechtbank enkel worden geboden als een maatwerkvoorziening en niet als een algemene voorziening. Dit brengt gelet op het bepaalde in artikel 2.3.6, lid 1 van de Wmo 2015 mee dat de inwoner de vrijheid heeft om te kiezen voor een pgb.

In deze blog plaatsen wij onze vraagtekens bij dit oordeel dat ten onrechte voorbij lijkt te gaan aan de wettelijke bevoegdheid van het college om een maatwerkvoorziening af te wijzen omdat een algemene voorziening de beperkingen in de zelfredzaamheid kan verminderen of wegnemen (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Dit lichten we hierna toe.

De uitspraak

Eiser ontving in zijn vorige gemeente individuele begeleiding in de vorm van een maatwerkvoorziening met een pgb. Na zijn verhuizing naar de gemeente Leeuwarden heeft het college deze maatwerkvoorziening na een overgangsperiode beëindigd en vervangen door basisondersteuning als algemene voorziening.

 

De Rechtbank Noord-Nederland oordeelt in deze uitspraak dat het college van de gemeente Leeuwarden de maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding van eiser ten onrechte heeft beëindigd. De rechtbank oordeelt echter dat de individuele begeleiding niet kan worden aangeboden als algemene voorziening. Individuele begeleiding is volgens de rechtbank namelijk naar zijn aard altijd afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt. Om te kunnen beslissen over de passendheid van de individuele begeleiding zal een besluit op de aanvraag voor deze voorziening altijd gebaseerd moeten worden op een onderzoek naar de specifieke situatie van de inwoner. Dit betekent volgens de rechtbank dat de individuele begeleiding als een maatwerkvoorziening moet worden aangemerkt. Omdat individuele begeleiding moet worden gezien als een maatwerkvoorziening in de zin van de Wmo 2015, heeft eiser recht op de keuze voor een pgb en daarmee voor zijn vaste begeleider. We citeren hieronder de relevante overweging:

“9. Zoals ook het college erkent, moet individuele begeleiding altijd worden afgestemd op de persoon; welke begeleiding eiser nodig heeft en voor hoeveel uur dit noodzakelijk is, moet worden afgestemd op zijn individuele behoefte. Zoals hiervoor al is overwogen, moet daartoe de specifieke situatie van eiser volledig in kaart worden gebracht, inclusief welke concrete ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan zijn zelfredzaamheid of participatie. Individuele begeleiding kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden gezien als ‘algemene voorziening’ zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat individuele begeleiding dus beschouwd moet worden als ‘maatwerkvoorziening’ zoals gedefinieerd in voornoemd artikellid, te weten: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten. Dit brengt gelet op het bepaalde in artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 mee dat eiser de vrijheid heeft om te kiezen voor een pgb en in het verlengde daarvan voor zijn vaste zorgverlener.”

Beschouwing

Wij vragen ons af of deze overweging juist is. De uitspraak van de rechtbank komt er op neer dat als er naar aanleiding van een melding een onderzoek naar de specifieke ondersteuningsbehoefte van een inwoner als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015 wordt uitgevoerd en op basis van dat onderzoek de ondersteuningsbehoefte wordt vastgesteld, de voorziening die bij deze ondersteuningsbehoefte past per definitie een maatwerkvoorziening is. Echter, de rechtbank gaat eraan voorbij dat in artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015 is bepaald dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening beslist, tenzij de inwoner de beperkingen met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen. De wet sluit dus niet uit dat een algemene voorziening wordt verstrekt als het college op basis van een onderzoek naar de specifieke ondersteuningsbehoefte van een inwoner tot het oordeel komt dat de beperkingen voldoende kunnen worden gecompenseerd door gebruikmaking van een algemene voorziening. In dat geval kan het college beslissen dat de algemene voorziening voorliggend is aan de maatwerkvoorziening en de maatwerkvoorziening weigeren. In deze zaak speelde daarbij een rol dat volgens de rechtbank het onderzoek niet zorgvuldig was uitgevoerd.

 

Dat inwoners gebruik moeten kunnen maken van een algemene voorziening zonder voorafgaand onderzoek naar hun specifieke ondersteuningsbehoefte, doet aan het voorgaande niet af. Immers, dit sluit niet uit dat inwoners toegang krijgen tot deze algemene voorziening als uit een onderzoek blijkt dat de algemene voorziening aansluit bij hun specifieke ondersteuningsbehoefte. Integendeel, artikel 2.3.2 lid 4 onder e Wmo 2015 verplicht colleges juist om in dit onderzoek mee te nemen of een algemene voorziening voorliggend is.

 

De afwijzing van de maatwerkvoorziening in de onderhavige zaak had tot gevolg dat de jarenlange begeleiding door een vaste zorgverlener moest worden beëindigd. Waar deze inwoner in de vorige woonplaats nog gebruik kon maken van een pgb, was dit na verhuizing niet mogelijk. Het is invoelbaar dat de inwoner daar ongelukkig mee is en ook de rechtbank lijkt daar gevoelig voor. Echter, gemeenten hebben van de wetgever beleidsruimte gekregen bij het bepalen van het voorzieningenpakket. Als gevolg daarvan kunnen er verschillen ontstaan in het aanbod van gemeenten. Dit is het gevolg van een bewuste keuze van de wetgever.

Conclusie

Kortom, wij menen dat de uitspraak onvoldoende aansluit bij de systematiek van de Wmo 2015. We zijn daarom benieuwd naar een eventuele uitspraak door de CRvB in geval het college besluit in hoger beroep te gaan.