Het concept wetsvoorstel Collectieve Warmtevoorziening (Warmtewet 2) is vorig jaar ter consultatie voorgelegd.

De Warmtewet 2 is de beoogde opvolger van de bestaande Warmtewet. Naar aanleiding van de reacties daarop heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat in een brief van 14 december 2020 aan de Tweede Kamer de resultaten van die consultatie toegelicht en de vijf wijzigingen benoemd die als gevolg van resultaten in het wetsvoorstel voor de Warmtewet 2 zijn doorgevoerd. Dat aangepaste wetsvoorstel is ter toetsing aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voorgelegd.

Achtergrond wetsvoorstel Warmtewet 2

Het wetsvoorstel is een volgende stap die gezet wordt in het kader van de energietransitie met het oog op de uitwerking van de klimaatdoelen en het Klimaatakkoord. Meer concreet streeft de Warmtewet 2 de volgende doelen na:

  • Groei van collectieve warmtesystemen mogelijk maken door nieuwe spelregels
  • Meer transparantie in de tariefstelling
  • Aanscherpen vereisten voor leveringszekerheid
  • Zeker stellen van de verduurzaming

 

Uit de consultatie van deze wet zijn vijf aspecten naar voren gekomen die aanleiding hebben gegeven tot aanpassing van het wetsvoorstel. Dit zijn:

  1. Meer ruimte voor samenwerking
  2. Derdentoegang voor warmtebedrijven
  3. Uitbreiding verbodsbepaling
  4. Ophoging grens kleine collectieve systemen
  5. Ventiel in duurzaamheidsnorm

Meer ruimte voor samenwerking

De minister geeft aan dat diverse partijen van mening zijn dat het geconsulteerde wetsvoorstel onvoldoende ruimte biedt voor verschillende samenwerkingsvormen tussen partijen waardoor de innovatie belemmerd zou kunnen worden. Vooral de in het wetsvoorstel opgenomen voorwaarde dat het aangewezen warmtebedrijf altijd zelf moet beschikken over het economisch eigendom van het warmtenet om invulling te kunnen geven aan zijn integrale verantwoordelijkheid zou de mogelijkheden voor samenwerking beperken. Ook is door partijen de wens uitgesproken om ook netwerkbedrijven, die deel uitmaken van een groepsmaatschappij waartoe ook een netbeheerder zoals bedoeld in de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet behoren, meer mogelijkheden te bieden om een rol te spelen bij de realisatie van collectieve warmtevoorzieningen. De minister gaat daarop in, maar wijst er wel op dat met het oog op een effectieve borging van de publieke belangen, het centrale uitgangspunt in het wetsvoorstel is dat een aangewezen warmtebedrijf de integrale verantwoordelijkheid draagt voor de collectieve warmtevoorziening. Dit betekent dat een aangewezen warmtebedrijf volledig aanspreekbaar is op de continuïteit en kwaliteit van de warmtelevering binnen een specifiek warmtekavel.

 

Om daar voldoende stevig invulling aan te kunnen geven wordt het als noodzakelijke voorwaarde gezien dat het aangewezen warmtebedrijf te allen tijde kan beschikken over het warmtenet dat onderdeel uitmaakt van het gerealiseerde warmtesysteem binnen het warmtekavel. Daartoe worden in het wetsvoorstel op hoofdlijnen drie samenwerkingsvormen voor een aangewezen warmtebedrijf mogelijk gemaakt:

  • Het integraal verantwoordelijke warmtebedrijf, dat zelf beschikt over het economisch eigendom van het warmtenet en eventueel werkzaamheden zoals productie van warmte uitbesteedt aan derden.
  • Het integraal verantwoordelijke warmtebedrijf, dat samenwerkt met een warmtenetbedrijf dat beschikt over het economisch eigendom van het warmtenet en de werkzaamheden die zien op aanleg, onderhoud en beheer van het warmtenet of het transport van warmte voor zijn rekening neemt. Daarbij kan het warmtebedrijf eventueel ook andere werkzaamheden uitbesteden aan derden.
  • Het integraal verantwoordelijke warmtebedrijf, dat is vormgegeven als een warmte joint-venture waarbinnen een warmteleveringsbedrijf en een warmtenetbedrijf samenwerken. Het warmtenetbedrijf beschikt over het economisch eigendom van het warmtenet. Naast een warmteleveringsbedrijf en een warmtenetbedrijf kunnen ook andere partijen onderdeel uitmaken van de warmte joint-venture. Ook de warmte joint-venture kan eventueel werkzaamheden uitbesteden aan derden.

 

Aan samenwerkingsovereenkomsten die ten grondslag liggen aan de twee laatste samenwerkingsvormen worden extra eisen gesteld, omdat het warmtebedrijf dan niet beschikt over het economische eigendom van het warmtenet, terwijl het wel verantwoordelijk is voor het functioneren van het collectieve warmtesysteem waar het warmtenet onderdeel van uitmaakt. De ACM zal toezicht houden op de verschillende samenwerkingsvormen.

 

Ten aanzien van warmtenetbedrijven die deel uitmaken van een groepsmaatschappij waartoe ook een netbeheerder behoort, geeft de minister aan die vanwege de regels die gelden op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet om de leveringszekerheid en onafhankelijkheid van de netbeheerder te bewaken, niet zelfstandig de rol van het integraal verantwoordelijke warmtebedrijf op zich mogen nemen. Die warmtenetbedrijven kunnen door de aanpassingen in het wetsvoorstel wel binnen de tweede en derde samenwerkingsvorm een rol vervullen en zodoende een rol spelen op de warmtemarkt.

Mogelijkheid voor derdentoegang bij overgangssituaties

Een warmtekavel dat zelfstandig kan functioneren, geniet vanuit het oogpunt van betaalbaarheid, leveringszekerheid en duurzaamheid de voorkeur volgens de minister. Omdat in bestaande situaties niet altijd aan dat uitgangspunt kan worden voldaan, wordt daarom een mogelijkheid geboden voor derdentoegang indien (i) het vaststellen van een separaat warmtekavel of (ii) vergroting of verkleining van een bestaand warmtekavel niet mogelijk is. De gemeente kan tijdelijk een warmtekavel vaststellen dat afhankelijk is van toegang tot een ander warmtesysteem. Na afloop van de aanwijzing heeft de gemeente de mogelijkheid om een zelfstandig functionerend warmtekavel vast te stellen en om daarvoor een warmtebedrijf aan te wijzen.

 

Geschillen die ontstaan tijdens de onderhandelingen tussen warmtebedrijven over derdentoegang zullen door de ACM beslecht worden.

Uitbreiding verbodsbepaling naar levering en transport van warmte

In de consultatieversie van het wetsvoorstel is een verbod opgenomen voor het transporteren van warmte aan verbruikers zonder aanwijzing of ontheffing van de gemeente, maar het transporteren van warmte in generieke zin, bijvoorbeeld naar een warmtekavel valt niet onder dit verbod. In de reacties op de consultatie is aangegeven dat als gevolg daarvan de regierol en de gewenste sturing door gemeenten geen betrekking heeft op het transport van warmte in generieke zin. Aangezien de minister dit onwenselijk vindt, wordt ook het transport van warmte in generieke zin onder het verbod gebracht. Dat betekent dat het zonder aanwijzing van de gemeente verboden is om warmte te transporten. De minister merkt daarbij nog op dat zo ook de regierol van de gemeente beter geborgd wordt.

Ophoging grens kleine collectieve systemen

Voor kleine collectieve warmtesystemen wordt in het wetsvoorstel een lichter reguleringsregime voorzien. In de consultatie is aangegeven dat de grens van 500 kleinverbruikers om als klein collectieve warmtesysteem aangemerkt te worden, te laag is. Daarom wordt de grens van 500 verhoogd naar 1.500 en omvat naast kleinverbruikers ook grootverbruikers. Volgens de minister is er op die manier balans tussen enerzijds de mogelijkheid om lokale initiatieven meer ruimte te bieden en anderzijds een beperkte groep verbruikers die een verminderde (tarief)bescherming heeft.

Mogelijkheid voor tijdelijke ontheffing duurzaamheidsnorm

Verder is het wetsvoorstel zodanig aangepast dat de ACM de bevoegdheid krijgt om een tijdelijke ontheffing van de duurzaamheidsnorm in het wetsvoorstel – dat is de CO2-norm – voor de collectieve warmtevoorziening aan het aangewezen warmtebedrijf te verlenen. Die mogelijkheid wordt voor uitzonderlijke situaties geboden en uit de investeringsplannen van het betrokken warmtebedrijf moet duidelijk naar voren komen dat uitstel geen afstel is. Op termijn zal aan de normstelling moeten worden voldaan. In de situatie van technische beperkingen van een bestaand systeem kan dat ook betekenen dat bijvoorbeeld wordt aangesloten op een groter te ontwikkelen collectief warmtesysteem.

Vervolg Warmtewet 2

Het aangepaste wetsvoorstel is zoals hiervoor aangegeven door de minister voorgelegd aan de ACM. De ACM heeft in de toelichting op haar werkzaamheden in 2021 aangegeven dat zij dit wetsvoorstel toetst op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Vervolgens zal het (mogelijk verder aan te passen) wetsvoorstel het verdere wetgevingsproces inrollen. Het is niet te verwachten dat het wetsvoorstel voor de verkiezingen in maart al naar de Raad van State gestuurd zal worden.

 

De tekst van het aangepaste wetsvoorstel is nog niet beschikbaar. In volgende blogs volgen we de gang van het wetsvoorstel, alsmede de gevolgen voor de praktijk.

 

Voor vragen over dit wetsvoorstel en de Warmtewet kunt u contact opnemen met Ekram Belhadj, specialist in ons team Energietransitie & Duurzaamheid.