Op 26 november 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2025:5734) over de vraag of een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) kan volstaan met het noemen van specifieke documenten, of dat ook de aangelegenheid waarover het verzoek gaat, moet worden vermeld. De Afdeling oordeelt dat een Woo-verzoek enkel kan volstaan met het noemen van specifieke documenten, als uit het genoemde document zelf ondubbelzinnig blijkt waarover het verzoek gaat. Daarmee verduidelijkt de Afdeling de betekenis van artikel 4.1 van de Woo. In deze blog lichten wij de uitspraak toe.
Feiten en procesverloop
De raad van bestuur van de Kansspelautoriteit (hierna: de raad) heeft bij besluit van 11 februari 2020 tien documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Dit is inmiddels de Woo. Appellante heeft op 5 september 2022 opnieuw verzocht om op grond van de Woo de tien documenten openbaar te maken. Daarbij heeft appellante erop gewezen dat delen van die documenten eerder buiten de reikwijdte van het verzoek vielen en daarom niet openbaar zijn gemaakt. Verder voert appellante aan dat, omdat de informatie inmiddels vijf jaar oud is en de Wob is vervangen door de Woo, minder snel een beroep kan worden gedaan op de uitzonderingsgrond van de persoonlijke beleidsopvatting. Voor zover in het besluit van 11 februari 2020 bepaalde gedeelten uit de tien documenten onleesbaar zijn gemaakt omdat de passages buiten de reikwijdte van het verzoek vielen, heeft appellante nu verzocht om ook deze delen openbaar te maken.
De raad heeft de documenten opnieuw beoordeeld en bij besluit van 21 oktober 2022 het verzoek om openbaarmaking gedeeltelijk toegewezen. Volgens de raad heeft appellante geen aangelegenheid genoemd waarover de openbaarmaking van de tien documenten zou moeten gaan. Appellante heeft enkel de tien documenten genoemd. Daarom heeft de raad de reikwijdte van het oorspronkelijke besluit van 11 februari 2020 aangehouden en opnieuw openbaarmaking van bepaalde passages geweigerd, omdat deze buiten de reikwijdte van het verzoek zouden vallen.
Appellante heeft hiertegen bezwaar en later beroep ingesteld. De rechtbank volgde in beroep het standpunt van de raad: een verzoeker kan niet volstaan met het enkel noemen van documenten, zonder de aangelegenheid van het verzoek te benoemen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel naar artikel 4.1 van de Woo en de wetsgeschiedenis van de Wob, de voorganger van de Woo. In hoger beroep betoogt appellante dat artikel 4.1 vierde lid van de Woo juist expliciet stelt dat verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document vermeldt, waarover hij informatie wenst te ontvangen. Dat betekent volgens appellante dat de rechtbank heeft miskend dat er twee mogelijke manieren zijn waarop de reikwijdte van het verzoek om openbaarmaking kan worden bepaald.
Uitspraak Afdeling
De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of iemand bij een Woo-verzoek de aangelegenheid moet noemen waar het verzoek op ziet, of dat diegene kan volstaan met het noemen van specifieke documenten. De Afdeling oordeelt dat artikel 4.1 vierde lid van de Woo bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen, moet vermelden. Dat betekent dat verzoeker in beginsel kan volstaan met het noemen van specifieke documenten.
Echter, de Afdeling oordeelt dat ook in dat laatste geval uit de Woo voortvloeit dat de aangelegenheid waarover het verzoek gaat duidelijk moet zijn. Dat betekent dat als verzoeker bij zijn verzoek de betreffende aangelegenheid niet noemt, hij alleen kan volstaan met het noemen van een specifiek document als uit het verzoek, de naam of de inhoud van dat document duidelijk blijkt welk document wordt bedoeld en daaruit ook de aangelegenheid blijkt waarover het verzoek gaat. Als de aangelegenheid niet uit het document blijkt, of het specifiek gevraagde document bijvoorbeeld over meerdere aangelegenheden gaat, mag van verzoeker worden verwacht dat hij of zij verduidelijkt over welke aangelegenheid het verzoek tot openbaarmaking gaat.
In de onderhavige zaak betekende dit dat voor één document (het verzoek tot overleg met Stichting Online Gaming Nederland) de aangelegenheid duidelijk uit de titel bleek. Daar mocht de verzoeker volstaan met het noemen van het document. Voor de overige negen documenten was dat niet het geval: uit de naam of inhoud van de documenten kon niet worden afgeleid over welke aangelegenheid de verslagen gingen en de documenten betroffen meerdere onderwerpen.
Conclusie
Uit de besproken uitspraak blijkt dat een Woo-verzoek op grond van artikel 4.1 vierde lid van de Woo kan volstaan met het noemen van specifieke documenten, zolang duidelijk is welke aangelegenheid het verzoek betreft. Alleen wanneer uit het verzochte document ondubbelzinnig de aangelegenheid van het verzoek blijkt, hoeft de verzoeker de aangelegenheid niet nogmaals expliciet te benoemen. Als de aangelegenheid onvoldoende blijkt uit het Woo-verzoek of de specifieke documenten, mag het bestuursorgaan verduidelijking vragen, om het verzoek correct te kunnen behandelen.


