Het gerechtshof Amsterdam heeft recent geoordeeld dat de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW doorwerkt in het regresrecht van het UWV op grond van artikel 99 WIA. Dat betekent dat het UWV bij regres kan uitgaan van dezelfde schadeverdeling als die geldt tussen het slachtoffer en de aansprakelijke partij. In deze zaak leidde dat ertoe dat de WAM-verzekeraar 75% van de door het UWV betaalde WIA-uitkering moet vergoeden.
Het ongeval en de schaderegeling
De zaak draait om een verkeersongeval dat in 2017 plaatsvond tussen een scooter en een bestelauto. De bestuurder van de scooter liep letsel op en raakte gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Sinds eind 2019 ontvangt hij een WIA-uitkering van het UWV.
De bestuurder van de bestelauto was verzekerd bij Kravag, een Duitse verzekeraar. Achmea trad op als schaderegelaar in Nederland. Tussen Achmea en de scooterrijder is een vaststellingsovereenkomst gesloten over de schade die door het ongeval is ontstaan. In die regeling is vastgesteld dat de bestuurder van de bestelauto aansprakelijk is voor het ongeval, maar dat de scooterrijder voor 50% eigen schuld heeft. Daarnaast is vanwege de ernst van het letsel een billijkheidscorrectie van 25% toegepast. Per saldo moest de verzekeraar daarom 75% van de schade van de scooterrijder vergoeden.
Regres door het UWV
Omdat de scooterrijder door het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt, betaalt het UWV een WIA-uitkering. Op grond van artikel 99 WIA kan het UWV de kosten van die uitkering verhalen op degene die voor het ongeval aansprakelijk is.
Het UWV stelde zich op het standpunt dat het dezelfde 75% kan verhalen als waarvoor de verzekeraar tegenover het slachtoffer aansprakelijk is. De verzekeraar was het daar niet mee eens. Volgens haar moest het regres worden beperkt tot 50%, omdat de billijkheidscorrectie volgens haar niet doorwerkt in het regresrecht van het UWV.
De rechtbank gaf het UWV gelijk. De verzekeraar ging vervolgens in hoger beroep.
Wettelijk regres en subrogatie
Het hof stelt voorop dat het UWV een wettelijk regresrecht heeft en niet, zoals een schadeverzekeraar, door subrogatie in de rechten van de benadeelde treedt. Bij subrogatie gaan de rechten van de verzekerde op de aansprakelijke partij over op de verzekeraar (artikel 7:962 BW). Het UWV krijgt zijn vorderingsrecht echter rechtstreeks uit de wet (artikel 99 WIA).
Dat verschil betekent volgens het hof echter niet dat het regres van het UWV wezenlijk anders moet worden behandeld. Zowel bij subrogatie als bij wettelijk regres is het doel te voorkomen dat de aansprakelijke partij profiteert van het feit dat een derde de schade van de benadeelde geheel of gedeeltelijk vergoedt.
Het hof verwijst in dit verband naar de vaste rechtspraak dat regresrechten en subrogatie zoveel mogelijk op gelijke wijze moeten worden benaderd. Daarbij geldt het zogenoemde civiele plafond: de aansprakelijke partij kan niet tot betaling van een hoger bedrag worden veroordeeld dan wanneer de benadeelde zelf de schade had gevorderd.
Doorwerking van de billijkheidscorrectie
De kern van het geschil is of de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW ook doorwerkt in de regresverhouding tussen het UWV en de aansprakelijke partij.
Het hof sluit aan bij eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over regres door verzekeraars. In het arrest Terminus/ZAO (ECLI:NL:HR:1997:ZC2517) en later in het arrest Menzis/Achmea (ECLI:NL:HR:2015:1873) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de billijkheidscorrectie in beginsel doorwerkt in de regresverhouding op dezelfde wijze als in de verhouding tussen de benadeelde en de aansprakelijke partij. Dat geldt ook wanneer de billijkheidscorrectie verband houdt met omstandigheden aan de zijde van het slachtoffer, zoals de ernst van het letsel. Daarnaast verwijst het hof naar een recent arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. In dat arrest is opnieuw bevestigd dat de doorwerking van de billijkheidscorrectie anders kan zijn in situaties waarin de zogenoemde 50%- of 100%-regel voor kwetsbare verkeersdeelnemers geldt.
In deze zaak ging het om een aanrijding tussen een bestelauto en een scooter. De standaardregels voor kwetsbare verkeersdeelnemers zijn daarom niet van toepassing. Die regels gelden namelijk voor voetgangers en fietsers in botsing met een gemotoriseerd voertuig. Omdat deze uitzondering hier niet speelt, blijft het uitgangspunt gelden dat de billijkheidscorrectie op dezelfde wijze doorwerkt in de regresverhouding. Het hof oordeelt daarom dat het UWV zijn regresrecht kan uitoefenen overeenkomstig de schadeverdeling die ook tussen de verzekeraar en het slachtoffer is overeengekomen.
Uitkomst en conclusie
Tussen de verzekeraar en het slachtoffer is in de vaststellingsovereenkomst uitgegaan van 50% eigen schuld en een billijkheidscorrectie van 25%. Daardoor komt 75% van de schade voor rekening van de verzekeraar. Volgens het hof kan het UWV regres nemen op basis van datzelfde percentage. Als dat anders zou zijn, zou de aansprakelijke partij profiteren van het feit dat een deel van de schade door het UWV wordt vergoed. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank.
De uitspraak laat zien dat bij regres door het UWV moet worden aangesloten bij de schadeverdeling die geldt tussen het slachtoffer en de aansprakelijke partij. Wanneer in die verhouding een billijkheidscorrectie wordt toegepast, werkt die in beginsel ook door in het regres. Voor aansprakelijke partijen en hun verzekeraars betekent dit dat een eenmaal vastgestelde schadeverdeling, bijvoorbeeld in een vaststellingsovereenkomst met het slachtoffer, ook bepalend kan zijn voor de omvang van een latere regresvordering van het UWV.


