De uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:3111) onderstreept het belang van het kiezen van de juiste procedure bij het voorbereiden van een omgevingsvergunning. Het kiezen van de verkeerde voorbereidingsprocedure kan leiden tot schadeplichtigheid met grote financiële gevolgen.

Waar gaat de zaak over?

Een projectontwikkelaar is voornemens een bestaand hotel uit te breiden tot een groot short-stay hotelcomplex dat zich zou uitstrekken over het naastgelegen perceel. Voor de bouw op dat perceel was echter een omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met het (toen nog) bestemmingsplan nodig. Het college verleende de vergunning via de reguliere (korte) voorbereidingsprocedure.

 

Nadat tegen de vergunning bezwaar was gemaakt, ontstond twijfel over de vraag of wel de juiste voorbereidingsprocedure was gevolgd. In overleg met een juridisch adviseur van de gemeente verzocht de ontwikkelaar het college daarop de vergunning in te trekken. Vervolgens werd een nieuwe aanvraag ingediend, die wél met toepassing van de de uitgebreide voorbereidingsprocedure (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) werd behandeld en uiteindelijk werd verleend.

 

De vertraging die hierdoor in het project ontstond, leidde volgens de ontwikkelaar tot aanzienlijke schade. Die stelde de gemeente daarom aansprakelijk en vorderde een schadevergoeding van ruim €2,1 miljoen wegens onrechtmatig overheidshandelen.

Onrechtmatig besluit

De rechtbank volgt de ontwikkelaar in het standpunt dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. In een tussenuitspraak van 2 april 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:5835) oordeelt de rechtbank dat het college van B&W in strijd met de wet heeft besloten om aanvankelijk met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure aan de ontwikkelaar een omgevingsvergunning te verlenen. Daarom was het eerste besluit onrechtmatig.

 

Dat de aanvrager van de vergunning zélf verzocht om intrekking van de vergunning in de bezwaarfase, maakt dat niet anders. Doorslaggevend acht de rechtbank dat de ontwikkelaar een gegronde vrees had dat de vergunning in bezwaar geen stand zou houden, nota bene ingegeven door een medewerker van de gemeente.

 

De gemeente is aansprakelijk voor de schade die de ontwikkelaar als gevolg van deze onrechtmatige daad heeft geleden.

Causaal verband

Om vervolgens te bepalen welke schade voor vergoeding in aanmerking komt, moet een causaal verband vast komen te staan. Daartoe stelt de rechtbank vast op welke datum de gemeente een rechtmatige omgevingsvergunning zou hebben verleend in de hypothetische situatie dat op een aanvraag van de ontwikkelaar direct de juiste (uitgebreide) voorbereidingsprocedure zou zijn toegepast. Door de datum waarop die vergunning onherroepelijk zou zijn geworden te vergelijken met de datum waarop (op de nieuwe, tweede aanvraag) in werkelijkheid de rechtmatige omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, kan de vertraging in de vergunningverlening worden vastgesteld. Dat is immers het moment waarop de ontwikkelaar met de bouw had kunnen starten zonder het risico te lopen dat de vergunning alsnog wordt vernietigd.

 

Van belang is dat als bepaalde door de ontwikkelaar gestelde schade eveneens zou zijn opgetreden indien de gemeente op de eerste vergunningaanvraag (met toepassing van de juiste voorbereidingsprocedure) een rechtmatige omgevingsvergunning had verleend, deze niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Schadevergoeding

De schade die als gevolg van het toepassen van de verkeerde procedure is geleden, wordt in de einduitspraak vastgesteld op meer dan €750.000,-. Dit bedrag bestaat onder meer uit misgelopen inkomsten, hogere aannemings- en interieurkosten en kosten voor de vergunningprocedure.

 

De schade die is ontstaan doordat de ontwikkelaar al met de ontwikkeling was begonnen terwijl de eerste vergunning nog niet onherroepelijk was, komt niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt dat bouwen voordat een vergunning onherroepelijk is geworden in beginsel voor risico van de vergunninghouder komt.

Relevantie voor de rechtspraktijk

Zowel de Wabo als de Omgevingswet schrijven in meerdere gevallen de toepassing van een specifieke voorbereidingsprocedure dwingend voor. De onderhavige uitspraak leert dat een ogenschijnlijk kleine procedurele fout verstrekkende financiële gevolgen kan hebben. Voor bestuursorganen onderstreept deze zaak het belang van een zorgvuldige keuze voor de juiste procedure in de voorbereiding van een besluit.