Op 4 februari 2026 oordeelde de Rechtbank Gelderland in een deelgeschilprocedure dat de eigenaar van een vakantiewoning aansprakelijk is voor de letselschade van een uitzendkracht die van de buitentrap bij de toegangsdeur viel (ECLI:NL:RBGEL:2026:1208). De rechtbank grondde de aansprakelijkheid op artikel 6:174 BW en verwierp het verweer dat de aansprakelijkheid was overgegaan op de bedrijfsmatige gebruikers in de verhuurketen op grond van artikel 6:181 BW.
Feiten en achtergrond
De uitzendkracht woonde en werkte via een uitzendorganisatie in een vakantiewoning op een vakantiepark te Maurik. Het vakantiepark had de vakantiewoning verhuurd aan een tussenliggende verhuurder die de woning op haar beurt had onderverhuurd aan de uitzendorganisatie. De uitzendorganisatie stelde de woning vervolgens als woonruimte ter beschikking aan de uitzendkracht.
Op 3 juli 2022 viel de uitzendkracht van de stenen buitentrap die direct naar de toegangsdeur leidt en brak daarbij zijn ruggengraat. Zowel getuigenverklaringen van medebewoners als het rapport van de eigen toedrachtsonderzoeker van de verzekeraar bevestigden dat de trap ten tijde van het ongeval in slechte staat verkeerde: oud en versleten, met scheuren in de stenen, losliggende en brokkelige traptreden en een instabiele leuning. Bij een inspectie in maart trof de onderzoeker van de verzekeraar nog altijd een losliggende steen aan.
De eigenaar had de woning in 2020 gerenoveerd en daarbij de onderste trap hersteld, maar liet de bovenste trap, die naar de toegangsdeur leidt, onveranderd.
Het geschil
De uitzendkracht verzocht de rechtbank in een deelgeschilprocedure vast te stellen dat de eigenaar aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW. Dit artikel vestigt een risicoaansprakelijkheid voor de bezitter van een gebrekkige opstal: voldoet de opstal niet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden mag stellen en levert zij daardoor gevaar op, dan is de bezitter aansprakelijk zonder dat schuld behoeft te worden aangetoond.
De eigenaar en de verzekeraar verweerden zich op twee punten. Ten eerste betwistten zij de toedracht en stelden zij dat nadere bewijslevering noodzakelijk was, zodat de zaak zich niet zou lenen voor behandeling als deelgeschil. Ten tweede beriepen zij zich op artikel 6:181 BW, dat bepaalt dat de aansprakelijkheid overgaat op de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal indien het gebrek functioneel samenhangt met diens bedrijfsuitoefening. Volgens de eigenaar was de aansprakelijkheid daarmee overgegaan op de tussenliggende verhuurder en/of de uitzendorganisatie, aangezien zij degene waren die het vakantiehuis bedrijfsmatig verhuurden.
Toedracht en gebrekkigheid van de opstal
De rechtbank verwerpt het verweer dat de toedracht onvoldoende vaststaat. Op grond van een ooggetuigenverklaring, het rapport van de eigen toedrachtsonderzoeker van de verzekeraar en de consistente correspondentie van de verzekeraar stelt de rechtbank vast dat de uitzendkracht is gevallen van de trap bij de toegangsdeur.
De rechtbank overweegt dat de trap als geheel, vanwege het totaalbeeld van ouderdom, scheuren, afgebroken traptreden en een instabiele constructie, een bovengemiddeld valrisico opleverde. Omdat de woning bestemd was voor kortdurende verhuur, zijn gebruikers niet bekend met specifieke gebreken zoals ongelijke treden. Dat rechtvaardigt hogere veiligheidseisen dan bij een gewone particuliere woning. De rechtbank oordeelt dat de trap niet aan die eisen voldeed en daarmee gebrekkig was in de zin van artikel 6:174 BW.
Tegen deze achtergrond wijst de rechtbank er voorts op dat de eigenaar bij de renovatie in 2020 de onderste trap wél heeft hersteld maar de bovenste trap onveranderd heeft gelaten, zonder deugdelijke verklaring.
De rechtbank verwerpt het beroep op artikel 6:181 BW op twee gronden. Ten eerste ontbreekt het vereiste functionele verband, aangezien het gebrek aan de trap veroorzaakt is door ouderdom en gebrek aan onderhoud en derhalve geen verband houdt met de verhuuractiviteiten van de tussenliggende verhuurder of de uitzendorganisatie. De trap is niet aangepast aan hun bedrijfsmatige behoeften en het gebrek is niet door hun gebruik ontstaan. Ten tweede heeft de eigenaar de feitelijke zeggenschap over de opstal behouden aangezien hij de woning eerder heeft gerenoveerd. Daarmee blijft hij eindverantwoordelijk voor de staat en veiligheid van het pand, hij draagt zorg voor herstel van gebreken en de opstalverzekering staat op zijn naam. Contractuele afspraken over onderhoud binnen de verhuurketen kunnen de aansprakelijkheid jegens een derde als de uitzendkracht niet doen verschuiven.
Praktische duiding
Deze beschikking verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden van artikel 6:181 BW in meervoudige verhuurketens. Het louter bestaan van een (onder)verhuurrelatie en contractuele onderhoudsafspraken binnen die keten is onvoldoende om de aansprakelijkheid van de bezitter te doen overgaan op een bedrijfsmatige gebruiker. Beslissend blijft of het gebrek functioneel samenhangt met de bedrijfsuitoefening van de gebruiker. Bij reguliere bouwkundige gebreken die losstaan van het specifieke bedrijfsmatige gebruik zal dit criterium niet snel tot aansprakelijkheidsverschuiving leiden.


