Vandaag, 21 april 2026, is de EU richtlijn ter harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht officieel in werking getreden. De implementatiefase is gestart: lidstaten hebben twee jaar en negen maanden de tijd om de nieuwe regels om te zetten in nationaal recht. De richtlijn bevat minimumregels op een aantal kernterreinen van het insolventierecht, waaronder pre packs, schuldeiserscommissies, bestuurdersverplichtingen en – voor de Nederlandse praktijk zeer interessant – de faillissementspauliana. In titel II introduceert de Europese wetgever een geharmoniseerde regeling voor zogenoemde vorderingen tot nietigverklaring. Hiermee wil de EU de bescherming van de waarde van insolvente boedels versterken en benadeling van gezamenlijke schuldeisers effectiever tegengaan.
Van Nederlands systeem naar drie Europese categorieën
De huidige Nederlandse faillissementspauliana is geregeld in artikel 42 en 47 Faillissementswet. Centraal staat het onderscheid tussen verplicht en onverplicht verrichte rechtshandelingen, waarbij vernietiging van verplichte rechtshandelingen slechts in een aantal gevallen mogelijk is.
De EU richtlijn laat dit onderscheid los en kiest voor een andere systematiek. Rechtshandelingen dienen voortaan langs drie routes te kunnen worden aangetast:
- Preferenties: hierbij gaat het om betalingen of zekerheden die vlak vóór faillissement nog snel aan bepaalde schuldeisers worden gegeven, waardoor andere schuldeisers achterblijven. Denk aan het aflossen van een bevriende financier of het vestigen van een pandrecht kort voordat duidelijk is dat de onderneming haar rekeningen niet meer kan betalen. Zulke handelingen kunnen onder de richtlijn eenvoudiger worden teruggedraaid.
- Rechtshandelingen zonder of tegen een kennelijk ontoereikende vergoeding: hierbij gaat het om transacties waarbij waarde uit de onderneming verdwijnt zonder dat daar iets reëels tegenover staat. In de praktijk kan dat bijvoorbeeld een activa-overdracht tegen een te lage prijs zijn, of het “wegzetten” van bezittingen bij een groepsmaatschappij. De richtlijn maakt dit type transacties in het jaar vóór faillissement aantastbaar.
- Opzettelijke benadeling van schuldeisers: dit ziet op situaties waarin bewust is aangestuurd op benadeling van het schuldeiserscollectief, bijvoorbeeld door vermogen buiten bereik te brengen, terwijl al duidelijk is dat een faillissement onafwendbaar is. Als ook de wederpartij wist van die bedoeling, kan de transactie tot twee jaar terug worden aangevochten.
Bij een geslaagd beroep op een van deze grondslagen kan de rechtshandeling niet aan de boedel worden tegengeworpen en moet het verkregen voordeel worden teruggegeven aan de boedel.
Ruimere reikwijdte en andere termijnen
Opvallend is verder dat de richtlijn uitgaat van het moment waarop een rechtshandeling is voltooid, en dat het begrip rechtshandeling ruim wordt opgevat. Ook handelingen van derden en niet-handelen (nalaten) kunnen eronder vallen. Daarnaast wijken de terugkijktermijnen (drie maanden, twaalf maanden en twee jaar) af van het huidige Nederlandse stelsel.
Wat betekent dit voor Nederland?
De richtlijn bevat minimumharmonisatie. Dat betekent dat de Nederlandse wetgever ruimte houdt voor eigen keuzes, maar aanpassing van de huidige faillissementspauliana ligt voor de hand. Met name het verdwijnen van het onderscheid tussen verplicht en onverplicht en de andere bewijs en termijnsystematiek kunnen de positie van curatoren versterken en de posities van bestuurders en andere betrokkenen verzwakken.
De komende implementatieperiode wordt cruciaal. Duidelijk is in ieder geval dat rechtshandelingen in de aanloop naar insolventie nog nadrukkelijker onder het vergrootglas komen te liggen.
Wordt vervolgd.


