Een gedoogplicht kan ingrijpende gevolgen hebben voor een grondeigenaar. Onder het oude recht kon bij aantasting van de onroerende zaak door een gedoogplicht aanspraak bestaan op volledige schadeloosstelling. Maar betekende dat ook dat iedere opgevoerde schadepost volledig moest worden vergoed? Een uitspraak van de rechtbank Gelderland over een gedoogplicht voor een dijkversterking op grond van de Waterwet (oud) laat zien waar de grenzen lagen.
Waar ging het in deze zaak over?
Deze uitspraak van 27 mei 2026 gaat over een gedoogplicht die was opgelegd voor tijdelijke werkzaamheden en permanente maatregelen in het kader van een dijkversterking. De eigenaren van de betrokken gronden hebben vervolgens verzocht om nadeelcompensatie op grond van artikel 7.14 van de Waterwet. De eigenaren voerden tien schadeposten op, waaronder waardevermindering van de woning en gronden, schade als gevolg van het tijdelijk gebruik van het werkterrein, een permanente gebruiksbeperking en de kosten van reconstructie van bomen en hagen.
Het college heeft het verzoek om schadevergoeding in handen gesteld van de Adviescommissie nadeelcompensatie Waterschap Rivierenland (“adviescommissie”). Over drie schadeposten bereikten partijen alsnog overeenstemming. De overige schadeposten werden ter beoordeling aan de rechtbank voorgelegd.
Wanneer bestaat het recht op volledige schadeloosstelling bij een gedoogplicht?
Uit artikel 7.14 van de Waterwet (oud) vloeit voort dat degene die schade lijdt door de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer, in aanmerking komt voor een vergoeding. Bij nadeelcompensatie komt in beginsel niet alle schade voor vergoeding in aanmerking. Schade die binnen het normaal maatschappelijk risico valt, blijft in de regel voor rekening van de benadeelde. Bij een gedoogplicht kan dat anders liggen.
Wanneer een besluit de onroerende zaak aantast, bijvoorbeeld doordat grond wordt vergraven, gold dat de schade die het gevolg is van de gedoogplicht volledig moet worden vergoed. Dat was in deze zaak aan de orde. De schade die het gevolg was van de gedoogplicht moest daarom volledig worden vergoed.
Volledige schadeloosstelling betekent uiteraard niet dat iedere opgevoerde schadepost zonder meer wordt vergoed. Het waterschap had voor de vaststelling van de schade de (onafhankelijke) adviescommissie ingeschakeld. Volgens de rechtbank mocht het waterschap in beginsel op het advies van deze commissie afgaan. Dat is slechts anders wanneer concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies.
Het is belangrijk te onderkennen dat de uitspraak ziet op een gedoogplicht en schadevergoeding onder de oude regelgeving, te weten de Waterwet. Onder het huidige recht, de Omgevingswet, is altijd een volledige schadeloosstelling vereist bij een gedoogplicht op grond van een beschikking en is niet relevant of sprake is van aantasting van de onroerende zaak. Daarbij is van belang om onderscheid te maken tussen de verschillende soorten gedoogplichten en de regelingen van de art. 15.13 en 15.14 Omgevingswet.
Voor gedoogplichten die onder artikel 15.13 Omgevingswet vallen, wordt schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de gedoogplicht vergoed voor zover deze boven het normale maatschappelijke risico uitstijgt en de rechthebbende in vergelijking met anderen onevenredig zwaar wordt getroffen. Artikel 15.14 Omgevingswet kent voor de daarin genoemde gedoogplichten daarentegen volledige vergoeding van de schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de gedoogplicht.
Kunnen aan een minnelijk aanbod bij een gedoogplicht rechten worden ontleend?
Voorafgaand aan het opleggen van de gedoogplicht hadden partijen geprobeerd om minnelijk tot overeenstemming te komen. In dat traject was een forfaitaire vergoeding aangeboden voor het tijdelijke gebruik van het weiland.
De adviescommissie kwam in de latere nadeelcompensatieprocedure echter tot een andere conclusie. Volgens de commissie hadden de eigenaren door het tijdelijke gebruik geen financiële schade geleden, omdat voldoende andere grond beschikbaar was. De eigenaren vonden dat zij desondanks aanspraak konden maken op de eerder aangeboden vergoeding en deden onder meer een beroep op het vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank volgt dat standpunt niet. Aanbiedingen en toezeggingen die tijdens een minnelijk traject worden gedaan, binden partijen niet zonder meer in een daaropvolgende juridische procedure. Het doel van minnelijk overleg is immers juist om partijen de ruimte te geven om tot overeenstemming te komen. Aangezien niet was gebleken dat het tijdelijke gebruik daadwerkelijk tot schade had geleid, bestond geen recht op een gebruiksvergoeding.
Hoe wordt de omvang van de schade bij een gedoogplicht bepaald?
De eigenaren stelden dat zij recht hadden op een afzonderlijke vergoeding voor de permanente gebruiksbeperking van hun gronden. De adviescommissie had deze beperking echter al betrokken bij de taxatie van de waardevermindering van de woning met bijbehorende gronden. De rechtbank achtte deze benadering aanvaardbaar. De eigenaren hadden onvoldoende onderbouwd dat het toegankelijk en beschikbaar moeten houden van een deel van het perceel tot een aanvullende waardedaling leidde. Voor een afzonderlijke vergoeding bestond daarom geen aanleiding.
Ook ten aanzien van de verzochte vergoeding voor het rooien van 22 bomen en twee landschapshagen volgde de rechtbank niet de door de eigenaren voorgestane berekeningsmethode. De door hen ingeschakelde boomtaxateur had de schade berekend aan de hand van de NVTB-richtlijnen. Het waterschap koos daarentegen voor een vergoeding op basis van reconstructie door herplant van jonge bomen en hagen.
De rechtbank oordeelde dat het waterschap de NVTB-richtlijnen niet hoefde te volgen, omdat deze niet rechtstreeks van toepassing waren. De adviescommissie mocht volgens de rechtbank aansluiting zoeken bij het onteigeningsrecht en bij wat redelijk handelende partijen zouden doen. Eisers hadden het advies van de commissie op dit punt weliswaar betwist, maar hebben dit niet onderbouwd, zodat het waterschap van het advies heeft mogen uitgaan.
Welke proceskosten worden vergoed bij volledige schadeloosstelling?
Een andere vraag was of volledige schadeloosstelling ook recht geeft op volledige vergoeding van de proceskosten in beroep. De rechtbank beantwoordde die vraag ontkennend. Voor deze proceskosten geldt de exclusieve en forfaitaire regeling van artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Dit sluit aan bij een eerdere uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017. Ook daarin was sprake van volledige schadeloosstelling na een gedoogplicht voor het gedeeltelijk afgraven van een perceel. Dat betekende volgens de Afdeling niet dat ook de proceskosten volledig moesten worden vergoed. Voor die kosten bleef het Besluit proceskosten bestuursrecht leidend.
Op dit punt komen het oude en huidige recht overeen. Ook onder de Omgevingswet geldt de exclusieve proceskostenregeling van artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Het beroep is uiteindelijk toch gegrond verklaard omdat het college bij de berekening van de schadevergoeding ten onrechte het btw-tarief van 9% had toegepast op de post arbeid in plaats van 21% en omdat het bedrag van de deskundigenkosten door de in de beroepsfase ingediende factuur opnieuw moet worden berekend.
Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?
De uitspraak laat allereerst zien dat volledige schadeloosstelling niet hetzelfde is als volledige vergoeding van iedere opgevoerde schadepost. Ook bij volledige schadeloosstelling moet daadwerkelijke schade zijn geleden en moet de omvang daarvan voldoende kunnen worden onderbouwd. De verplichting tot volledige schadeloosstelling doorbreekt niet de forfaitaire proceskostenregeling van artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Daarnaast is het belangrijk om een minnelijk aanbod te onderscheiden van de uiteindelijke juridische schadevaststelling. Dat tijdens onderhandelingen een vergoeding is aangeboden, betekent niet dat daarop in een latere nadeelcompensatieprocedure zonder meer aanspraak bestaat. Aan minnelijke aanbiedingen kunnen dan ook geen rechten worden ontleend in de latere procedure.
Voor zowel overheden als grondeigenaren is het daarom belangrijk om bij een gedoogplicht concreet te beoordelen of en in welke omvang bepaalde schade daadwerkelijk wordt of zal worden geleden. Zo kan een standaardvergoeding in een concreet geval hoger uitvallen dan de daadwerkelijk geleden schade, bijvoorbeeld wanneer de betreffende schadepost zich niet of slechts in beperkte mate voordoet. Daarnaast is van belang hoe de schade wordt onderbouwd en welk juridisch regime op de vergoeding daarvan van toepassing is.
Meer informatie?
Wilt u meer weten over welke schade vergoed dient te worden bij een gedoogplicht onder het oude of huidige recht of heeft u andere vragen? Neem dan gerust contact op met onze advocaten onteigeningsrecht.


