Op 16 december 2025 heeft het Europees Parlement de tekst van de Omnibus-richtlijn aangenomen. In deze richtlijn wordt het toepassingsbereik van de CSDDD aanzienlijk verkleind. Voordat de richtlijn daadwerkelijk in werking treedt en de CSDDD wordt aangepast, moet de Raad van de Europese Unie de richtlijn nog goedkeuren. De voorgestelde wijzigingen bepalen onder andere wanneer ondernemingen aan de verplichtingen van de CSDDD moeten voldoen en hoe ver deze verplichtingen reiken.

Toepassingsbereik CSDDD

Oorspronkelijk zou de CSDDD gelden voor:

  1. Ondernemingen met gemiddeld meer dan 1000 werknemers en een wereldwijde netto-omzet van meer dan € 450 miljoen;
  2. Moederondernemingen van een groep die meer dan 1000 werknemers heeft en een wereldwijde netto-omzet van meer dan € 450 miljoen, en waarvoor een geconsolideerde jaarrekening is opgesteld of had moeten worden opgesteld;
  3. Ondernemingen opgericht in een land buiten de EU met een netto-omzet van meer dan
    € 450 miljoen binnen de EU;
  4. Uiteindelijke moederondernemingen van een groep die op geconsolideerde basis een
    netto-omzet van meer dan € 450 miljoen heeft binnen de EU.

Met de Omnibus-richtlijn wordt het toepassingsbereik aanzienlijk versmald. De CSDDD zal dan alleen nog gelden voor:

  1. Ondernemingen met gemiddeld meer dan 5000 werknemers en een wereldwijde netto-omzet van meer dan € 1,5 miljard;
  2. Moederondernemingen van een groep die meer dan 5000 werknemers heeft en een wereldwijde netto-omzet van meer dan € 1,5 miljard;
  3. Ondernemingen opgericht in een land buiten de EU met een netto-omzet van meer dan
    € 1,5 miljard binnen de EU;
  4. Uiteindelijke moederondernemingen van een groep die op geconsolideerde basis een
    netto-omzet van meer dan € 1,5 miljard heeft binnen de EU.

Mapping exercise vs scoping exercise

Ondernemingen binnen het toepassingsbereik moeten mogelijke negatieve effecten identificeren en beoordelen. Onder de oorspronkelijke CSDDD gebeurde dit via een uitgebreide mapping exercise. Daarbij moesten ondernemingen alle activiteiten van de onderneming, haar dochterondernemingen en zakenpartners in kaart brengen om te bepalen waar de grootste kans bestond op ernstige negatieve effecten. Op basis van deze volledige inventarisatie moesten ondernemingen vervolgens een grondige beoordeling uitvoeren van de gebieden waar de kans op ernstige negatieve effecten het grootst is.

 

Met de Omnibus-richtlijn wordt deze verplichting versoepeld. De mapping exercise wordt vervangen door een scoping exercise. In plaats van een volledige inventarisatie brengen ondernemingen – op basis van redelijk beschikbare informatie – alleen de algemene gebieden in kaart binnen de eigen organisatie, de dochterondernemingen en eventueel zakenpartners waar negatieve effecten het meest waarschijnlijk en het ernstigst zullen zijn. Op basis van de scoping exercise moeten ondernemingen een grondige beoordeling uitvoeren van de gebieden waar de kans op ernstige negatieve effecten het grootst is.

 

Ook de manier waarop ondernemingen informatie bij zakenpartners kunnen opvragen wordt aangescherpt. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat ondernemingen informatie kunnen opvragen bij zakenpartners, maar alleen wanneer die informatie noodzakelijk is. Als een zakenpartner minder dan 5000 werknemers heeft, mag informatie uitsluitend worden opgevraagd wanneer de onderneming niet op een andere manier over de informatie kan beschikken. Als de informatie kan worden verkregen via andere zakenpartners, dan moet een onderneming direct bij die zakenpartner aankloppen of bij de zakenpartner waar de negatieve effecten het meest waarschijnlijk zullen plaatsvinden. Wanneer negatieve effecten in meerdere risicogebieden even waarschijnlijk of ernstig zijn, mogen ondernemingen prioriteit geven aan de gebieden waar directe zakenpartners bij zijn betrokken.

Het schorsen van de relatie met zakenpartners

De verplichtingen van ondernemingen tot het nemen van preventieve en corrigerende maatregelen worden eveneens aangepast. Ondernemingen dienen een relatie met een zakenpartner alleen te schorsen wanneer (i) het toepasselijke recht dit toelaat, en (ii) andere maatregelen het risico niet voldoende hebben beperkt. Daarnaast moeten ondernemingen een preventief actieplan opstellen voor specifieke negatieve effecten wanneer redelijkerwijs wordt verwacht dat de maatregelen zullen slagen.

 

Wanneer het risico op de negatieve effecten desondanks niet kan worden beperkt, moeten ondernemingen maatregelen nemen om deze negatieve effecten te beëindigen. Het schorsen van de relatie met de zakenpartner totdat de negatieve effecten zijn beëindigd, kan als last resort worden ingezet onder de voorwaarde dat het toepasselijk recht dit toelaat. Ondernemingen moeten daarnaast, zonder onnodige vertraging, een actieplan opstellen met corrigerende maatregelen tegen de specifieke negatieve effecten.

Klimaattransitieplan

De CSDDD verplichtte lidstaten ervoor te zorgen dat ondernemingen een klimaattransitieplan opstellen en uitvoeren. Daarbij moesten ondernemingen hun uiterste best doen om hun bedrijfsmodel en -strategie in overeenstemming te brengen met de transitie naar een duurzame economie, met het beperken van enerzijds de opwarming van de aarde tot 1,5 °C en anderzijds de blootstelling aan steenkool-, olie-, en gasgerelateerde activiteiten. Deze verplichting wordt met de Omnibus-richtlijn volledig geschrapt.

Geldboete

Onder de CSDDD kan een geldboete van maximaal 5% van de wereldwijde netto-omzet opgelegd. Dit wordt door de Omnibus-richtlijn verlaagd naar maximaal 3% van de wereldwijde (geconsolideerde) netto-omzet.

Aansprakelijkheid onder de CSDDD

Onder de CSDDD zou de aansprakelijkheid van ondernemingen worden geharmoniseerd. Dit echter onder de voorwaarde dat (i) de onderneming opzettelijk of uit onachtzaamheid niet heeft voldaan aan de verplichtingen en (ii) als gevolg daarvan schade is ontstaan aan de wettelijk beschermde belangen van natuurlijke personen of rechtspersonen. Met de Omnibus-richtlijn wordt de aansprakelijkheid niet geharmoniseerd, maar moeten lidstaten zorgen voor voldoende rechtsbescherming zodat ondernemingen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het schenden van de CSDDD. De precieze invulling van aansprakelijkheid blijft dus afhankelijk van nationale wetgeving.

Verslaglegging

Op 26 juli 2031 zal de Europese Commissie voor het eerst een verslag publiceren over de uitvoering en doeltreffendheid van de CSDDD. De Europese Commissie zal in dat verslag specifiek ingaan op:
(a) of het toepassingsbereik van de CSDDD moet worden herzien;
(b) of een sectorspecifieke benadering voor hoog-risicosectoren wenselijk is;
(c) of het toepassingsbereik moet worden aangepast naar ondernemingen met meer dan 1000 werknemers en een wereldwijde netto-omzet van meer dan € 450 miljoen, en ondernemingen die opereren in hoog-impactsectoren.

Omzetting van de richtlijn

De Omnibus-richtlijn schuift de omzettingstermijn op naar 26 juli 2028. De CSDDD wordt vervolgens een jaar later, op 26 juli 2029, van toepassing op ondernemingen. De eerdere gefaseerde invoering komt hiermee volledig te vervallen. Voor het zover is, moet de Raad van de Europese Unie de Omnibus-richtlijn eerst nog aannemen.