Smartengeld wordt in Nederland naar billijkheid begroot, waardoor het voor de nodige discussie tussen partijen kan zorgen. Om die discussie te beperken is de Rotterdamse Schaal als hulpmiddel ontwikkeld. Het betreft een ordening van smartengeldbedragen per letselcategorie, met aandacht voor factoren die de hoogte binnen die bandbreedte beïnvloeden. De schaal beoogt daarmee houvast te bieden, zonder de billijkheidsbeoordeling te vervangen. Een nuttig hulpmiddel dat – mede gelet op de aanbevelingen van de rechtspraak over het gebruik ervan – ook vragen en discussie kan oproepen.

Totstandkoming

De Schaal is ontwikkeld in samenwerking tussen wetenschap en rechtspraak. Aanleiding was kritiek op de bestaande praktijk van smartengeldbegroting: bedragen zijn lastig voorspelbaar, motiveringen verschillen sterk per uitspraak en vergelijkingsmateriaal is bij meervoudig letsel vaak beperkt of weinig gedetailleerd. Bij de ontwikkeling is veel inspiratie geput uit de Engelse Guidelines for the Assessment of General Damages in Personal Injury Cases, en daarnaast ook uit de IersePersonal Injury Guidelines die eveneens sterk voortbouwen op het Engelse model. De in de schaal vermelde bedragen zijn gebaseerd op de in de Nederlandse rechtspraak toegewezen smartengeldbedragen.

Ordening en gebruik

De kern van de Rotterdamse Schaal is de indeling in letselcategorieën (bijvoorbeeld hoofdletsel, arm- of handletsel, been- of voetletsel, gehoor, psychisch letsel en aangezichtsletsel). Per categorie is een bandbreedte opgenomen met een minimum- en maximumbedrag dat als uitgangspunt kan dienen. De positie van het smartengeldbedrag binnen de bandbreedte wordt bepaald aan de hand van een aantal bij de categorie behorende factoren.

 

Voorbeelden hiervan zijn de noodzaak van medische behandelingen, de mate van pijn en de blijvendheid van het letsel. De invulling van die factoren bepaalt waar binnen de bandbreedte het passende smartengeldbedrag gezocht moet worden.Daarmee tracht de Rotterdamse Schaal een gezamenlijke meetlat aan te bieden waarmee partijen, op basis van de bijbehorende factoren, kunnen bepalen wat een passend smartengeldbedrag is.

Aanbevelingen van de rechtspraak

Het LOVCK (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton), LOVCH (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven) en LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) hebben aanbevelingen gedaan voor de begroting van smartengeld en het gebruik van de Rotterdamse Schaal bij die begroting. Het doel van die aanbevelingen is om een aantal normatieve keuzes die in de Rotterdamse Schaal open zijn gelaten, in te vullen zodat één set aan handreikingen voor rechters en de buitengerechtelijke praktijk ontstaat.

 

Het betreft zes aanbevelingen die per 1 januari 2026 in werking zijn getreden. Daarbij is onder meer aan rechters – en daarmee indirect aan de buitengerechtelijke praktijk – aanbevolen om bij de begroting van smartengeld gebruik te maken van de Rotterdamse Schaal. Daarnaast zijn er aanbevelingen over de factor waarmee het vastgestelde smartengeldbedrag dient te worden verhoogd in gevallen van jeugdige leeftijd van de benadeelde of bij ernstig verwijtbare gedragingen van de aansprakelijke partij.

 

Voor de begroting van smartengeld bij meervoudig maar niet samenhangend letsel doet het LOVCK ook een praktische aanbeveling over de wijze waarop moet worden omgegaan met de optelling van de gevonden smartengeldbedragen uit de Rotterdamse Schaal. Wanneer de aanbevelingen gehanteerd worden moet dit leiden tot een meer uniforme toepassing van de Rotterdamse Schaal, en daarmee minder discussie over het smartengeld. Echter, kunnen de aanbevelingen en de Rotterdamse Schaal ook juist nieuwe vragen en discussie opleveren. Waar voorheen tussen partijen de discussie zich voornamelijk focuste op het vinden van een bedrag, zou de discussie nu niet alleen kunnen zien op het vinden van een passend bedrag in de bandbreedte, maar ook welke categorie uberhaupt van toepassing is op het opgelopen letsel.

 

Ook is het goed voorstelbaar dat discussie ontstaat over de toepassing van de Rotterdamse Schaal bij meervoudig letsel dat wél met elkaar samenhangt, en daardoor niet met behulp van de vijfde aanbeveling begroot kan worden. Juist omdat de Rotterdamse Schaal een nieuw hulpmiddel is, moeten deze vragen nog in de rechtspraak beantwoord worden.

Conclusie

Met de Rotterdamse Schaal is getracht een einde te brengen aan de discussie omtrent smartengeld. De schaal beoogt een overzichtelijk hulpmiddel te zijn waarmee partijen gezamenlijk tot een passend smartengeldbedrag kunnen komen.

 

Met het op basis van de aanbevelingen van het LOVCK aanbevolen gebruik van de schaal door rechters kan de schaal echter ook juist voor discussie zorgen. Waar partijen voorheen overeenstemming moesten vinden over een bedrag, kan de discussie zich nu juist toespitsen op de vraag in welke categorie het letsel van de benadeelde moet worden ingedeeld, welke waarde aan de bijbehorende factoren kan worden toegekend, wat gedaan moet worden wanneer het letsel binnen meerdere categorieën valt en hoe moet worden omgegaan met de aanbevelingen.

 

Of de Rotterdamse Schaal daarmee een einde maakt aan de discussie of juist het startpunt daarvan is, moet nog maar bezien worden. In ieder geval ligt hier een taak voor de rechtspraak om duidelijkheid te verschaffen over de nog onduidelijke punten van de Rotterdamse Schaal.