Op 15 april 2026 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting (hierna: het wetsvoorstel). Met het wetsvoorstel worden de Wet op het primair onderwijs, Wet primair onderwijs BES, Wet op de expertisecentra en Wet voortgezet onderwijs 2020 gewijzigd. De datum van inwerkingtreding is afhankelijk van de behandeling in de Eerste Kamer. Naar verwachting treedt de wet op 1 januari 2027 in werking. Eén van de belangrijkste wijzigingen die het wetsvoorstel beoogt, is dat gemeenteraden verplicht worden om een integraal huisvestingsplan (IHP) vast te stellen. In deze blog sta ik stil bij de verplichte vaststelling en de juridische status van het IHP en de verhouding tot het jaarlijks door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen onderwijshuisvestingsprogramma. Een toelichting op de overige wijzigingen die het wetsvoorstel beoogt, leest u in onze eerdere blog.

Wat is het IHP?

Het IHP is een plan in de zin van artikel 110 van de Gemeentewet dat door de gemeenteraad wordt vastgesteld voor een meerjarige periode. In het IHP worden de strategische en budgettaire kaders van het gemeentelijke onderwijshuisvestingsbeleid voor de planperiode vastgelegd.

 

Het IHP biedt gemeenten en schoolbesturen inzicht in welke voorzieningen in de planperiode naar verwachting nodig zijn en bij welke schoolbesturen. Daarmee vormt het IHP een richtinggevend kader voor de gemeentelijke besluitvorming over onderwijshuisvesting. De concrete besluitvorming vindt plaats zodra een schoolbestuur bij het college een aanvraag voor een voorziening indient.

 

Verplichte vaststelling en inhoud van het IHP

Onder het huidige recht bestaat geen wettelijke verplichting om een IHP vast te stellen. Hoewel de meeste gemeenten hier in de praktijk al wel mee werken, introduceert het wetsvoorstel een verplichting daartoe alsnog. In het wetsvoorstel was aanvankelijk bepaald dat het eerste verplichte IHP binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet moest worden vastgesteld. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer is deze termijn bij amendement verkort tot twee jaar.

 

Het IHP dient ten minste een beschrijving te bevatten van ieder schoolgebouw, (beleids)voornemens voor de onderwijshuisvesting en de geraamde investeringsbedragen. De gemeenteraad stelt in het IHP de investeringen vast voor een periode van vier jaar, met een doorkijk naar de daaropvolgende twaalf jaren. Deze systematiek biedt inzicht in de lange termijn en tegelijkertijd een zekere mate van flexibiliteit, doordat het plan iedere vier jaar wordt herijkt.

 

Het IHP wordt vastgesteld nadat op overeenstemming gericht overleg met de betrokken schoolbesturen heeft plaatsgevonden. Hierdoor worden geborgd dat schoolbesturen tijdig worden betrokken bij de gemeentelijke huisvestingsvoornemens.

 

Status van het IHP bij besluitvorming

Een schoolbestuur dat een voorziening in de onderwijshuisvesting wenst – bijvoorbeeld nieuwbouw of (na de inwerkingtreding van de wet) renovatie – dient daartoe een aanvraag in bij het college. Het college beslist bij beschikking op deze aanvraag en kan deze toekennen, afwijzen of een andere of gedeeltelijke voorziening toekennen dan is aangevraagd.

 

In het jaarlijks door het college vast te stellen onderwijshuisvestingsprogramma (OHP) worden alle voorzieningen opgenomen die in het daaropvolgende jaar voor bekostiging in aanmerking komen. De keuzes die in het IHP zijn gemaakt, zijn bij deze besluitvorming richtinggevend, maar niet bindend. Het wetsvoorstel brengt daarin geen verandering aan.

 

De wetgever heeft er bewust voor gekozen om het IHP niet een (meer) bindend karakter te geven. De wetgever acht namelijk van belang dat de procedure rondom het jaarlijkse OHP – met de daarbij behorende waarborgen en weigeringsgronden – naast het IHP blijft bestaan. Het moet mogelijk blijven dat een schoolbestuur een aanvraag indient voor een voorziening die niet in het IHP is opgenomen. Omgekeerd kunnen zich ook omstandigheden voordoen waardoor een gemeente niet alle aangevraagde voorzieningen die in het IHP staan kan toekennen.

 

Het wetsvoorstel bepaalt niet onder welke omstandigheden het college van het IHP kan afwijken. Die beoordeling wordt door de wetgever aan het college gelaten en vindt plaats van geval tot geval. Afwijking kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een spoedaanvraag van een schoolbestuur, bij financiële mee- of tegenvallers, of wanneer een schoolbestuur ervoor kiest om een voorziening later aan te vragen dan in het IHP was voorzien. In alle gevallen geldt dat het college een besluit tot afwijzing van een aangevraagde voorziening deugdelijk moet motiveren. Dat geldt ook wanneer het college een aanvraag om een voorziening afwijst die wel stond opgenomen in het IHP.

 

Tot slot

Met de inwerkingtreding van de wet wordt de vaststelling van het IHP een verplicht onderdeel van het gemeentelijk onderwijshuisvestingsbeleid. Het IHP fungeert als meerjarig strategisch kader en vergroot de voorspelbaarheid en transparantie voor zowel gemeenten als schoolbesturen, zonder een rechtstreekse aanspraak op bekostiging te creëren. De daadwerkelijke besluitvorming over voorzieningen blijft plaatsvinden via het jaarlijks vast te stellen OHP, met de daarbij behorende wettelijke waarborgen en weigeringsgronden. Een zorgvuldige en deugdelijke motivering van besluiten – met name bij afwijking van het IHP – blijft daarmee onverminderd van groot belang.

 

Meer weten?

Op dinsdag 2 juni 2026 verzorgen Wouter Boonstra, Bo Ceulemans en Willianne Nooteboom van 10.00 tot 11.30 uur een online webinar waarin zij ingaan op drie actuele thema’s op het gebied van onderwijshuisvesting, waaronder het Wetsvoorstel planmatig en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting. Voor meer informatie en om u (kosteloos) aan te melden.