Op 8 mei 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:5415) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam een relevante uitspraak in kort geding gewezen in het kader van onderwijshuisvesting. De rechter oordeelt dat een schoolbestuur een schoolgebouw voorlopig niet hoeft te ontruimen, ondanks afspraken en gedragingen die eerder op vertrek wezen. De rechter acht in de belangenafweging doorslaggevend dat bij de toewijzing van de ontruimingsvordering van de gemeente er voor zeker 200 leerlingen geen leslokalen beschikbaar zijn.

Hoe kwam het tot dit kort geding?

Het geschil speelt tussen een gemeente en een schoolbestuur. In 2020 hebben partijen, samen met een ander schoolbestuur, een bestuurlijk akkoord gesloten. Partijen spraken de intentie uit om twee mavo-scholen samen te voegen tot één school in één gebouw. Daarmee zouden synergievoordelen worden behaald. Ook zou een nieuw schoolgebouw worden gerealiseerd.

 

Daarna zijn de twee mavo-scholen (hierna: school 1 en school 2) onder het gezag van één schoolbestuur komen te vallen. In augustus 2022 sloten de gemeente en dit schoolbestuur een overeenkomst. De overeenkomst legt vast dat de gemeente verantwoordelijk was voor de bekostiging van het nieuwe schoolgebouw voor ongeveer 600 leerlingen ter vervanging van het gebouw van school 1. Het schoolbestuur was verplicht om de eigendom van het gebouw van school 1 om niet aan de gemeente over te dragen. Na de overdracht in september 2022 mocht het schoolbestuur dit schoolgebouw feitelijk gebruiken voor onderwijsdoeleinden tot de gebruiksklare oplevering van het nieuwe schoolgebouw.

 

In 2024 heeft het schoolbestuur een aanvraag bij de gemeente gedaan voor vervangende nieuwbouw voor school 1 en school 2. De gemeente heeft deze voorziening in de huisvesting met een capaciteit voor 700 leerlingen toegekend. In 2025 is de bouw van het nieuwe schoolgebouw begonnen.

 

Medio 2025 heeft het schoolbestuur aan de gemeente kenbaar gemaakt dat de scholen toch zelfstandig verder zullen gaan. In de nieuwbouw zal slechts één mavo-school zich vestigen. De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat het schoolbestuur over voldoende ruimte beschikt voor de andere school. Er is namelijk sprake van ruimteoverschot in andere schoolgebouwen van het schoolbestuur, aldus de gemeente. Volgens de gemeente moeten de twee bestaande schoolgebouwen worden verlaten voor het nieuwe schoolgebouw dat in aanbouw is.

Het geschil

In kort geding vordert de gemeente ontruiming van de twee schoolgebouwen. Daarnaast vordert de gemeente medewerking van het schoolbestuur aan de overdracht om niet van het gebouw van school 2. Vervolgens kan de gemeente deze locatie inzetten voor de huisvesting van twee basisscholen.

 

Het schoolbestuur erkent dat zij eerder de intentie had om de twee schoolgebouwen te verlaten, zoals beschreven in het bestuurlijk akkoord. Daarentegen stelt het schoolbestuur dat in de overeenkomst geen verplichting is overeengekomen om het gebouw van school 2 (geheel) te verlaten. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst was duidelijk dat het nieuwe schoolgebouw niet alle leerlingen kon huisvesten.

 

Dat de aanvraag uit 2024 voor vervangende nieuwbouw betrekking heeft op school 1 en school 2 betekent niet dat school 2 geheel verlaten zou worden, aldus het schoolbestuur.

Afspraken en gedragingen wijzen richting vertrek

De voorzieningenrechter wijst de vordering tot ontruiming van het gebouw van school 1 af, omdat het schoolbestuur dit schoolgebouw tijdig zal verlaten.

 

Vervolgens oordeelt de rechter dat beide partijen de intentie hadden om het gebruik van de gebouwen voor school 1 en school 2 te beëindigen. Die intentie leidt de rechter af uit het bestuurlijk akkoord, de overeenkomst, de aanvraag voor vervangende nieuwbouw en het daarop genomen besluit van de gemeente. Partijen hebben tot medio 2025 naar deze intentie gehandeld. Gelet op de totstandkoming van de afspraken tussen partijen en de besluitvorming daarna, is de rechter kritisch op het standpunt van het schoolbestuur dat de overeenkomst geen betrekking heeft op school 2.

 

Het is weliswaar zo dat school 2 niet expliciet in de overeenkomst is vermeld, en ook is het de vraag of de overeenkomst kan worden gezien als een akte in de zin van artikel 6.20, eerste lid, Wet voortgezet onderwijs 2020. Toch leest de rechter het standpunt van het schoolbestuur vooral als een door toekomstig ruimtegebrek ingegeven gelegenheidsargument.

Ruim 200 leerlingen zonder leslokaal

De belangenafweging die volgt, pakt uit in het voordeel van het schoolbestuur. De rechter gaat ervan uit dat bij toewijzing van de vorderingen voor zeker 200 leerlingen geen leslokalen beschikbaar zouden zijn. Dat belang weegt zwaarder dan de (deels financiële) belangen van de gemeente, aldus de rechter. Dat er concrete plannen bestaan voor huisvesting van twee basisscholen op de bestaande locatie van school 2 is door de rechter meegewogen. Daarbij is doorslaggevend dat de basisscholen zijn gehuisvest in verouderde scholen, maar niet kampen met ruimtegebrek.

 

De vorderingen van de gemeente worden afgewezen. Dat betekent niet dat het schoolbestuur het bestaande gebouw van school 2 blijvend mag gebruiken. Partijen moeten zich inspannen om de (zo nodig aangepaste) afspraken na te komen én te voldoen aan hun wettelijke verplichtingen voor voldoende huisvesting voor leerlingen.

Meer weten over actualiteiten onderwijshuisvesting?

Op dinsdag 2 juni 2026 verzorgen Wouter Boonstra, Bo Ceulemans en Willianne Nooteboom van 10.00 tot 11.30 uur een online webinar waarin zij ingaan op actuele thema’s op het gebied van onderwijshuisvesting. Klik op de link voor meer informatie en om u kosteloos aan te melden.