Op 3 september 2025 oordeelde de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2025:22983) dat geen sprake was van eigendomsverkrijging door verjaring in een zaak tussen het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard (HHSK) en een particuliere grondeigenaar in Rotterdam. De grondeigenaar had een perceelsgedeelte van HHSK in gebruik genomen en claimde door verjaring eigenaar te zijn geworden. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van inbezitneming en wees de vordering tot ontruiming van het perceelsgedeelte toe.

Waar gaat de zaak over?

De tuin van de grondeigenaar grenst aan een perceel van HHSK, bestaande uit onder meer een sloot en oever. De grondeigenaar had op de oever walbeschoeiing aangelegd, de grond opgehoogd en beplanting aangebracht. Ook had er een tijd een hek van schapengaas langs de waterkant gestaan. Het perceelsgedeelte was ingericht als tuin en maakte dan ook visueel deel uit van de tuin. HHSK kwam er na onderzoek achter dat het perceelsgedeelte zijn eigendom was en vorderde ontruiming. De grondeigenaar beriep zich op verjaring.

Hek van schapengaas geen bezitsdaad

Allereerst oordeelt de rechtbank dat het hek van schapengaas niet als een erfafscheiding kan worden aangemerkt en daarbij dus geen sprake is van inbezitneming. Het hek is niet op duurzame wijze met de grond verenigd, is eenvoudig te verwijderen en is bovendien niet aangelegd om het eigendom van de grondeigenaar af te bakenen, maar om te voorkomen dat aanwezige (klein)kinderen in het water terechtkomen. HHSK heeft steeds een mogelijkheid gehad om toegang te krijgen tot het perceelsgedeelte vanaf de sloot. Het hek heeft het perceel dan ook niet ontoegankelijk voor HHSK gemaakt.

 

Wel acht de rechtbank relevant dat de sloot, die niet is aangesloten op ander openbaar vaarwater, een natuurlijke afscheiding van het perceelsgedeelte vormt. De sloot belemmert derden de toegang tot het perceelsgedeelte. Toegang tot het perceelsgedeelte vanaf de buurpercelen is niet mogelijk. HHSK kon het perceelsgedeelte enkel betreden via een schip of ponton dat aan de overzijde van de sloot te water werd gelaten.

 

De rechtbank acht het ontbreken van een (hoog) hek onder deze omstandigheden niet doorslaggevend voor de vraag of de grondeigenaar het perceelsgedeelte in bezit genomen heeft. De rechtbank overweegt dat bezitsverlies immers niet vereist dat de oorspronkelijk eigenaar feitelijk geen enkele macht meer kan uitoefenen of dat een stuk grond geheel is afgesloten. Het is voldoende dat de machtsuitoefening van de nieuwe bezitter zodanig is dat deze het bezit van de oorspronkelijke bezitter naar verkeersopvatting teniet doet en deze machtsuitoefening kan ook uit andere bezitsdaden blijken.

Geen sprake van ondubbelzinnig, openbaar bezit

De rechtbank beoordeelt vervolgens de andere door de grondeigenaar gestelde bezitsdaden. Uit het inrichten van het perceelsgedeelte als tuin, waaronder het aanbrengen van de beplanting, kan volgens de rechtbank geen ondubbelzinnig bezit worden afgeleid. Dit feitelijk gebruik kan hooguit ondersteunend zijn aan andere bezitsdaden.Daarvan is echter geen sprake: de rechtbank komt tot de conclusie dat het aanbrengen van walbeschoeiing, ophogen van de tuin en aanbrengen van beplantingen geen bezitsdaden zijn. Volgens de verkeersopvatting hoeft het plaatsen van een walbeschoeiing niet aangemerkt te worden als een ondubbelzinnige bezitsdaad. De rechtbank overweegt dat de walbeschoeiing aangebracht is om afkalving, en daarmee aantasting van zijn eigen eigendomsrecht, tegen te gaan. Dit was door de grondeigenaar zelf ook betoogd.

 

Daarnaast is relevant dat de door de grondeigenaar aangebrachte walbeschoeiing niet meer dan enkele centimeters boven het wateroppervlak uitsteekt en daardoor nauwelijks zichtbaar is vanaf het water en de oever aan de overzijde. Ook de aanwezige begroeiing beperkt het zicht op de walbeschoeiing. Deze (vermeende) bezitsdaad is daardoor niet duidelijk kenbaar voor HHSK en daaraan ontbreekt dus een openbaar karakter. Bezit dient immers openbaar en ondubbelzinnig te zijn. De bezitter moet zich dusdanig gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn. Daarvan was in dit geval geen sprake. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de vermeende bezitsdaden onvoldoende zijn om te kunnen spreken van openbaar en ondubbelzinnig bezit en wijst de vorderingen af.

Gebruiksvergoeding

Nu het beroep van de grondeigenaar niet slaagt, wordt de vordering tot ontruiming van HHSK toegewezen. HHSK had ook nog een vergoeding gevorderd voor het gebruik van het perceelsgedeelte voor een periode van vijf jaar voorafgaande aan de dagvaarding. De rechtbank acht dit onredelijk aangezien de grondeigenaar kosten heeft gemaakt om het perceelsgedeelte in stand te houden en afkalving van het perceelsgedeelte te voorkomen. Deze vordering wordt dus afgewezen.

Belang voor de praktijk

Het (gedeeltelijk) afsluiten van een perceelsgedeelte en het inrichten als tuin kan in combinatie met andere bezitsdaden leiden tot het oordeel dat het perceelsgedeelte in bezit is genomen. In dit geval ontbraken andere (ondubbelzinnige en openbare) bezitsdaden en was geen sprake van inbezitneming.

Meer informatie?

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Neem dan contact met ons op.