Op 3 juli 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een uitspraak gedaan waaruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat uit de Wmo 2015 geen verplichting voortvloeit voor de gemeenteraad om het wettelijke begrip ‘gebruikelijke hulp’ in de verordening nader uit te werken. Een feitelijke toetsing aan de wettelijke definitie lijkt te volstaan. Dit is anders in de Jeugdwet, gelet op de uitspraken van 29 mei vorig jaar.
’29 mei’-uitspraken
In de ‘29 mei’-uitspraken heeft de CRvB geoordeeld dat uit artikel 2.9 Jw volgt dat de gemeenteraad, ten behoeve van de rechtszekerheid en ter voorkoming van willekeur, in de verordening duiding moet geven aan de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in relatie tot begrippen als eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp. Afwijzingen van aanvragen voor jeugdhulp op grond van gebruikelijke hulp stranden sindsdien herhaaldelijk bij de rechter.
Wij merken in de praktijk dat gemachtigden van cliënten regelmatig een beroep doen op deze uitspraken in het kader van een bezwaar of beroep tegen een afwijzing van jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning wegens gebruikelijke hulp, ook in het kader van de Wmo 2015. Echter, uit deze uitspraak volgt dat dit beroep niet zonder meer in elk geval hoeft te slagen.
Uitspraak van 3 juli 2025
De uitspraak van 3 juli 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1004) betreft een afwijzing door het college van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor individuele ondersteuning, omdat volgens het college sprake was van gebruikelijke hulp. Deze afwijzing houdt de CRvB in stand. De aanvraag betrof een pgb waarmee de aanvrager bij de dochter hulp bij de administratie en financiën wilde inkopen. De omvang van de hulp was beperkt tot één uur per week.
De CRvB is het eens met het college dat deze hulp kwalificeert als gebruikelijke hulp. De CRvB verwijst naar de definitie van gebruikelijke hulp in de Wmo 2015, namelijk: ‘hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten’. De CRvB oordeelt dat, gelet op de beperkte omvang van de hulp bij de administratie en financiën, naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid van de inwonende dochter mag worden verwacht.
Uit deze uitspraak lijkt te kunnen worden afgeleid dat de CRvB het, in het kader van de Wmo 2015, voldoende acht om feitelijk te onderbouwen waarom wordt voldaan aan de wettelijke definitie van gebruikelijke hulp. Anders dan in het kader van de Jeugdwet wordt niet van de gemeenteraad verwacht dat dit begrip nader wordt verduidelijkt in de verordening. Dit zou kunnen worden verklaard door het feit dat, anders dan in de Jeugdwet, gebruikelijke hulp in het kader van de Wmo 2015 niet uitgelegd hoeft te worden in relatie tot de opvoedplicht van ouders jegens hun kinderen die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek.
Daarbij merk ik wel op dat in deze zaak evident was dat sprake was van gebruikelijke hulp. Waar daarover meer discussie mogelijk lijkt, kan niet worden uitgesloten dat de CRvB meer belang zal hechten aan de rechtszekerheid. Ik wijs in dat verband op de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 4 juni 2024. In deze zaak bestond tussen partijen een verschil van inzicht over de vraag of sprake was van gebruikelijke hulp. De strikte uitleg van dit begrip door het college leek met name voort te vloeien uit een wens tot bezuiniging, wat de rechtbank niet acceptabel vond. In deze uitspraak wijst de rechtbank op de wetsgeschiedenis, waaruit volgt dat de wetgever het wenselijk acht dat gemeenten op het punt van de gebruikelijke hulp beleid ontwikkelen. Dit oordeel sluit meer aan bij de lijn van de CRvB in de 29 mei uitspraken. In deze zaak was er overigens wel beleid, maar kon de rechtbank niet afleiden hoe dat beleid in het concrete geval door het college was toegepast.
Conclusie
Uit de uitspraak van 3 juli 2025 volgt dat in het kader van de Wmo 2015 een afwijzing van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wegens gebruikelijke hulp stand kan houden, mits op basis van de feiten kan worden onderbouwd dat aan de wettelijke definitie van gebruikelijke hulp in de Wmo 2015 is voldaan. Vooralsnog heeft de CRvB dus nog geen uitspraak gedaan waaruit volgt dat ook in het kader van de Wmo 2015 het college uitsluitend een afwijzing van een maatwerkvoorziening kan baseren op ‘gebruikelijke hulp’ als dit begrip nader is uitgewerkt in de verordening.


