Op 4 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:629) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over een onteigeningsbeschikking van de gemeente Moerdijk. Het is de eerste uitspraak in hoger beroep over onteigening onder de Omgevingswet. De Afdeling wijst, anders dan de rechtbank, het verzoek tot bekrachtiging van de onteigening van een onroerende zaak alsnog toe.

Feiten en procesverloop

De gemeente Moerdijk heeft het voornemen om een randweg ten zuidwesten van de kern van Klundert aan te leggen. Om de randweg te realiseren heeft de gemeente diverse percelen nodig. De raad heeft daarom op 30 januari 2025 een onteigeningsbeschikking gegeven.

 

Zoals in een eerder blogbericht is besproken, oordeelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2025:6581) dat de onteigeningsbeschikking gedeeltelijk bekrachtigd dient te worden, namelijk voor het eigendomsrecht van perceel 1 en voor het pachtrecht op perceel 4. De bekrachtiging werd geweigerd voor de percelen 2 en 3 en voor het eigendomsrecht op perceel 4. De rechtbank overwoog dat minnelijke overeenstemming over de verwerving was bereikt en om die reden de noodzaak tot onteigening ontbreekt.

 

Wat betreft perceel 4 was dit oordeel opmerkelijk. De rechtbank wijst immers het verzoek om bekrachtiging van onteigening voor het eigendomsrecht van perceel 4 af, om vervolgens wel het verzoek om bekrachtiging voor het pachtrecht toe te wijzen. Dit oordeel strookt niet goed met artikel 11.3 van de Omgevingswet, waarin is bepaald dat alleen onroerende zaken ter onteigening aangewezen kunnen worden.

 

Vereenvoudigde behandeling

De raad van de gemeente Moerdijk gaat daarom in hoger beroep en betoogt logischerwijs dat de rechtbank ten onrechte alleen het pachtrecht ter onteigening heeft aangewezen. De raad verzoekt de Afdeling om de onteigening van perceel 4 volledig te bekrachtigen.

 

De Afdeling heeft aanleiding gezien om de zaak vereenvoudigd te behandelen. Hoewel art. 6.103 Ow de mogelijkheid tot vereenvoudigde behandeling alleen lijkt te bieden voor de bekrachtigingsprocedure in eerste aanleg, bepaalt art. 16.117 Ow dat de titels 8.1 t/m 8.3 Awb van overeenkomstige toepassing zijn op de hoger beroepsprocedure over een onteigeningsbeschikking. De Afdeling heeft aldus de mogelijkheid om de zaak ingevolge art. 8:54 Awb vereenvoudigd te behandelen, indien het beroep kennelijk gegrond is.

 

Onteigening ziet in alle gevallen op de onroerende zaak

De Afdeling overweegt, zoals verwacht, dat de Omgevingswet geen mogelijkheid van afzonderlijke onteigening van beperkte rechten kent. Onteigening ziet in alle gevallen op de onroerende zaak.

 

Ingevolge art. 11.18 Ow verkrijgt de onteigenaar door onteigening van de onroerende zaak, het eigendom vrij van alle lasten en rechten die op de zaak rusten. Dit betekent dat een onroerende zaak ter onteigening moet worden aangewezen, ingeval dat de onteigenaar overeenstemming heeft bereikt met de eigenaar, maar de eigenaar de onroerende zaak niet vrij van pacht kan opleveren.

 

Belang bij bekrachtiging ondanks bijna overeenstemming

Daarnaast overweegt de Afdeling dat de stelling van de pachter dat na de uitspraak van de rechtbank alsnog overeenstemming is bereikt, het bewerkstelligen van eigendomsovergang via inschrijving van een onteigeningsakte niet uitsluit. De gemeente Moerdijk heeft aldus voldoende belang bij onteigening, ondanks dat al minnelijke overeenstemming is bereikt.

 

Deze ontwikkeling is vanuit praktisch oogpunt wenselijk en sluit aan bij de oude lijn die de Kroon hanteerde. Het was vast beleid van de Kroon dat de verzoeker belang had bij onteigening, indien de verzoeker op moment van het nemen van het verzoekbesluit weliswaar overeenstemming over minnelijke verwerving had bereikt, maar eigendomsoverdracht van de betreffende onroerende zaak nog niet had plaatsgevonden. De Afdeling lijkt deze lijn nu ook te hanteren bij onteigening onder de Omgevingswet, nu in deze uitspraak reeds overeenstemming was bereikt, maar nog geen eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. De enkele mededeling dat overeenstemming is bereikt, is dus niet voldoende om te oordelen dat geen noodzaak tot onteigening (meer) bestaat.

 

Onherroepelijke onteigeningsbeschikking

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de onteigeningsbeschikking die betrekking heeft op perceel 4, heeft beperkt tot het op de onroerende zaak rustende pachtrecht. De Afdeling heeft de onteigeningsbeschikking voor dit perceel daarom alsnog bekrachtigd. De bekrachtiging leidt ertoe dat de onteigeningsbeschikking die betrekking heeft op dit perceel onherroepelijk is geworden.

 

Meer weten?

Wilt u meer weten over deze uitspraak of heeft u andere vragen over het onteigeningsrecht? Neem gerust contact met ons op. Wij denken graag mee!