Op dit moment wordt het gebruik van het persoonsgebonden budget (“pgb”) door de Tweede Kamer onder de loep genomen. Het is de vraag of het persoonsgebonden budget wel wordt gebruikt waarvoor het is bedoeld en of dat gebruik het gewenste effect heeft.

Daartoe is in september 2021 het onderzoeksrapport ‘Betekenis en waarde van het persoonsgebonden budget’ d.d. 10 augustus 2021 (hierna: het “onderzoeksrapport”) naar de Tweede Kamer gestuurd. De Minister voor Langdurige Zorg en Sport (hierna: de “Minister”) heeft op basis van dit onderzoek een brief naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin onder meer haar visie op de inzet van het pgb bij kleinschalige woonvoorzieningen wordt besproken. Ook heeft zij op 22 juni 2022 enkele Kamervragen daarover beantwoord.

Zorgbekostiging met het PGB of ZIN

Voor bepaalde vormen van zorg geldt dat deze kan worden ingekocht door ofwel het verstrekken van zorg in natura (hierna: “ZIN”) ofwel door het beschikbaar stellen van een pgb. Voor wat betreft ZIN geldt dat niet de cliënt, maar de zorgverzekeraar, het zorgkantoor of de gemeente de zorg inkoopt en contracten met zorgaanbieders sluit. Cliënten kunnen de zorg vervolgens van een gecontracteerde zorgaanbieder afnemen. Met het pgb kopen cliënten zelf de zorg in die zij nodig achten en sluiten zij zelf een zorgovereenkomst met een zorgaanbieder of zorgverlener naar keuze.

 

Sinds 1995 levert het pgb een bijdrage aan de zelfbeschikking van cliënten die langdurige verzorging of professionele hulp nodig hebben. De oorspronkelijke bedoeling van het pgb was het versterken van de eigen regie van de patiënt. Eigen regie gaat over wanneer, waar, hoe en door wie de zorg en ondersteuning wordt geleverd. Door de jaren heen zijn ook steeds meer kleinschalige woongroepen gebruik gaan maken van het pgb om de zorg te bekostigen. Binnen kleinschalige wooninitiatieven worden de pgb’s van de bewoners in sommige gevallen gebundeld en collectief ingezet om zorg te verlenen aan de bewoners.

Ideeën Minister over PGB

Een van de vragen die de Minister in haar kamerbrief bespreekt is of de inzet van het pgb bij kleinschalige woonvormen wel op de juiste manier wordt gebruikt. De Minister meent dat het pgb is bedoeld voor mensen die daar bewust voor kiezen en die in staat zijn eigen regie te voeren. De Minister stelt dat het bundelen van het pgb bij wooninitiatieven, niet past bij die kerngedachte van het pgb als individueel instrument voor eigen regie.

 

Volgens de Minister volgt uit het onderzoeksrapport dat in sommige gevallen sprake is van situaties waarin pgb-houders in een wooninitiatief onvoldoende eigen regie voeren. Zo stelt de Minister dat het pgb in sommige gevallen een gedwongen keuze is, omdat het pgb de enige manier is om terecht te kunnen in een wooninitiatief. De Minister acht het onwenselijk dat deze pgb-houders worden belast met de taken en verantwoordelijkheden die horen bij het pgb, terwijl zij daar niet bewust voor kiezen en/of daar onvoldoende vaardigheden voor hebben.

 

Daarnaast stelt de Minister dat bij ontevredenheid over de zorg het voor een pgb-houder lastig kan zijn om vanuit eigen regie verandering aan te brengen en passende zorg en ondersteuning te ontvangen, omdat rekening moet worden gehouden met de andere bewoners.

 

Ook meent de Minister dat er bij wooninitiatieven die gefinancierd worden vanuit het pgb een gebrekkig toezicht zou zijn op rechtmatige besteding van pgb-budgetten en het lastig is voor bewoners om invloed uit te oefenen op bijvoorbeeld de kwaliteit van de zorg. De Minister stelt hiertoe dat alleen pgb-houders het wooninitiatief rechtstreeks op de kwaliteit van zorg of de besteding van zorggeld kunnen aanspreken. Volgens de minister zullen zij dit echter niet snel doen, ook niet via de verstrekker van het pgb, omdat zij een grote afhankelijkheid zouden hebben ten opzichte van het wooninitiatief en vrezen voor verlies van hun woonplek.

Kamerbrief versus Onderzoeksrapport

Naar onze mening volgen deze conclusies van de Minister niet zo sterk uit het onderzoeksrapport en is het onderzoeksrapport veel genuanceerder en positiever over het pgb gebruik voor kleinschalige wooninitiatieven, dan het beeld dat de Minister schetst. De Minister doet het voorkomen alsof bewoners het vervelend vinden dat de zorg wordt gefinancierd via pgb en dat zij niet het idee hebben invloed te kunnen uitoefenen, terwijl tegelijkertijd 97% van alle 3000 respondenten heeft aangegeven het pgb hiervoor aan te raden en een groot aantal ook aangeeft zich betrokken te voelen. Veel cliënten lijken het dus een prettige vorm van financiering te vinden.

 

Verder insinueert de Minister dat misbruik wordt gemaakt van het pgb in woongroepen door te beschrijven dat sprake zou zijn van gebrekkig toezicht op rechtmatige besteding van pgb-budgetten, terwijl dat niet uit het rapport blijkt.

 

Ook blijkt uit het onderzoeksrapport dat de collectieve toepassing van het pgb, bij onder meer kleinschalige wooninitiatieven, niet per definitie strijdig is met de oorspronkelijke bedoeling van het pgb. Hoewel het gebruik van het pgb op die wijze niet was voorzien bij de invoer van het pgb, is het voor sommige vormen van zorg – zoals bewoners initiatieven – een passender middel. Waar het om moet gaan is dat de eigen regie goed tot zijn recht moet komen en dat het een bewuste keuze is van de (vertegenwoordiger van de) pgb-houder.

Betekenis in de praktijk

De kamerbrief en de beantwoording van de kamervragen geeft tot dusver enkel een denkrichting weer van de Minister en heeft (nog) geen juridische gevolgen voor de praktijk. Mocht de Minister wijzigingen willen aanbrengen in de financiering van de zorg door (kleinschalige) wooninitiatieven dan is daarvoor een wetswijziging en nader onderzoek in de markt nodig.

 

De Minister heeft hiertoe aangegeven geen algehele afschaffing van het pgb in wooninitiatieven te beogen. De Minister wenst wel een beweging naar contrac¬tering in te zetten op die plekken waar het pgb niet volgens het centrale uitgangspunt (bewuste keuze van mensen die pgb-vaardig zijn, eigen regie) wordt ingezet. De Minister heeft aangekondigd, samen met vertegenwoordigers en de Branchevereniging Kleinschalige Zorg, daartoe een kader op te stellen met wat minimaal verwacht mag worden op het vlak van eigen regie in een pgb-gefinancierd wooninitiatief. De Minister stelt dat in de gevallen waarin een wooninitiatief onvoldoende vormgeeft aan de uitgangspunten van het pgb, het wooninitiatief de kans krijgt zich daar alsnog op in te richten. Als dat niet gewenst is of niet lukt, wordt aangestuurd op contractering. Daarbij zal de Minister onderzoeken waar kansen en belemmeringen bestaan bij contracteringsvereisten voor kleinschalige aanbieders.

 

Wij volgen deze ontwikkelingen op de voet.