Als bestuurders of aandeelhouders van een vennootschap met elkaar overhoop liggen kan dit tot problemen leiden. Deze problemen kunnen zo groot worden dat de onderneming in haar voortbestaan wordt bedreigd. Om het conflict op te lossen of de impasse te doorbreken biedt de gang naar de Ondernemingskamer uitkomst.

De samenwerking tussen bestuurders of aandeelhouders van een vennootschap heeft in veel opzichten iets weg van een huwelijk.

Anders dan bij een huwelijk, voorziet de wet echter niet in een (echtscheidings)procedure op het moment dat de relatie tussen bestuurders of aandeelhouders van een vennootschap vastloopt.

 

Weliswaar kent de wet de geschillenregeling, maar die biedt in veel gevallen geen oplossing. De geschillenregeling voorziet immers alleen in een gedwongen overdracht van aandelen door de aandeelhouder die zich niet weet te gedragen. Bijkomend nadeel van de geschillenregeling is dat deze (te) lang duurt. Wil men snél kunnen ingrijpen, biedt de gang naar de Ondernemingskamer uitkomst.

Voor wie?

Eén of meer houders van aandelen of certificaten die samen ten minste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, of (al dan niet samen met anderen) aandelen/certificaten bezitten met een (nominale) waarde van ten minste € 225.000,–, kunnen bij de Ondernemingskamer een (enquête)procedure starten. Voor grote ondernemingen geldt een afwijkende regeling. Ook vakorganisaties en anderen, door de statuten of bij (aandeelhouders)overeenkomst aangewezen, kunnen een procedure starten.

Let op!

Voordat de gang naar de Ondernemingskamer kan worden gemaakt, moeten betrokkenen eerst hun bezwaren schriftelijk kenbaar maken aan het bestuur van de vennootschap en (als die er is) aan de Raad van Commissarissen. Daarbij dienen betrokkenen de gelegenheid te krijgen om op de bezwaren te reageren/daaraan tegemoet te komen. Op deze manier wordt voorkomen dat voor niets de gang naar de Ondernemingskamer wordt gemaakt.

De maatregelen

De procedure bij de Ondernemingskamer is gericht op sanering en herstel van de verhoudingen.

 

Bij de beoordeling van de vraag of ingrijpen noodzakelijk is, dient de Ondernemingskamer te beoordelen of er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid binnen de vennootschap. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zal de Ondernemingskamer een onderzoek gelasten en in dat kader een onderzoeker aanwijzen die de opdracht krijgt om (op kosten van de vennootschap) onderzoek te verrichten naar het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap. Heeft de vennootschap geen of onvoldoende middelen, zullen degenen die door de Ondernemingskamer zijn gevraagd om in te grijpen, moeten aanbieden om in te staan voor de kosten. Gebeurt dat niet, wordt het verzoek om in te grijpen door de Ondernemingskamer afgewezen.

 

De Ondernemingskamer kan, op verzoek van degenen die de procedure zijn gestart, besluiten om hangende het onderzoek voorlopige voorzieningen te treffen. Deze voorzieningen kunnen onder meer bestaan uit de schorsing van één of meer bestuurders, onder het gelijktijdig aanstellen van een (tijdelijk) bestuurder, of de (tijdelijke) overdracht van het stemrecht op aandelen aan een door de Ondernemingskamer aan te wijzen beheerder van de aandelen. Op deze manier kan, op korte termijn, ingegrepen worden in de (verstorende) verhoudingen binnen de vennootschap. Dergelijke voorzieningen worden alleen getroffen indien dit in het belang is van het onderzoek of de toestand van de vennootschap dit vergt.

 

De onderzoeker maakt van zijn bevindingen een verslag. Op basis van dit verslag kunnen degenen die de procedure zijn gestart, of anderen die door de wet zijn aangewezen, de Ondernemingskamer vragen om vast te stellen dat er sprake is van wanbeleid.

 

De Ondernemingskamer kan, als is gebleken van wanbeleid, verstrekkende maatregelen nemen, zoals het ontslag van de bestuurder(s). Veelal vormt het verslag van de onderzoeker het startpunt voor een procedure tegen de bestuurder(s) tot vergoeding van de schade welke het gevolg is van het wanbeleid.

De praktijk

Dat de Ondernemingskamer diep kan ingrijpen in de verhoudingen en bij gebleken wanbeleid stevig kan doorpakken blijkt uit een tweetal uitspraken van de Ondernemingskamer waarbij Jeroen Stekelenburg namens een aantal aandeelhouders tot twee keer toe de gang naar de Ondernemingskamer heeft gemaakt.

 

In de eerste uitspraak is door de Ondernemingskamer een onderzoek gelast én is een aantal voorlopige voorzieningen genomen, waaronder de schorsing van het bestuur van de vennootschap en de aanstelling van een (tijdelijk) bestuurder. Daarmee is de impasse tussen de aandeelhouders en het bestuur van de vennootschap doorbroken.

 

Vervolgens is geprobeerd om met hulp van de door de Ondernemingskamer aangestelde (tijdelijk) bestuurder tot een definitieve/duurzame oplossing van het conflict te komen (want daar is het veelal om te doen).

 

Nadat bleek dat dit in het onderhavige geval niet lukte zijn de aandeelhouders opnieuw naar de Ondernemingskamer gestapt. In de daaropvolgende tweede uitspraak heeft de Ondernemingskamer op basis van het rapport van de onderzoeker vastgesteld dat er sprake is van wanbeleid en dat het bestuur daarvoor verantwoordelijk is. De Ondernemingskamer heeft het bestuur vervolgens ontslagen.

 

Met deze tweede uitspraak in de hand is de vennootschap vervolgens een procedure tegen het voormalig bestuur gestart. De rechtbank heeft het bestuur uiteindelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade die de vennootschap door het wanbeleid van het bestuur heeft geleden.

Meer weten?

Bestaat er een impasse binnen de vennootschap en dient deze te worden doorbroken? Bel Jeroen Stekelenburg.

 

Jeroen Stekelenburg is gespecialiseerd op het gebied van aandeelhoudersgeschillen. Jeroen staat op de lijst van OK-functionarissen van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam. Jeroen wordt met een zekere regelmaat door de Ondernemingskamer benoemd tot OK-functionaris. Jeroen is lid van de stichting Rimari. Deze stichting stelt zich ten doel de door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam benoemde onderzoekers, bestuurders, commissarissen en/of andere deskundigen bij te staan, te ondersteunen en te scholen en meer in het algemeen de kwaliteit van door de Ondernemingskamer bevolen onderzoeken te bevorderen.