Tamana Terpstra-Rezaie

Tamana Terpstra-Rezaie

Advocaat

De Hoge Raad wees op 4 juli 2025 een belangrijke uitspraak in het verzekeringsrecht (ECLI:NL:HR:2025:1082). De Hoge Raad oordeelt namelijk dat een slachtoffer dat de verzekeraar had misleid bij het aangaan van de WAM-verzekering, daardoor niet het recht op uitkering verliest.

Feiten en oordeel van het hof

Het slachtoffer in deze zaak betrof een vrouw die ernstig letsel had opgelopen bij een eenzijdig verkeersongeval en op grond daarvan schadevergoeding vorderde bij de WAM-verzekeraar in kwestie. De vrouw zat ten tijde van het ongeval als passagier in de auto, die door de zus van de vrouw werd bestuurd.

 

De verzekeraar weigerde echter uitkering. Uit onderzoek was namelijk gebleken dat het slachtoffer zelf de eigenaar en gebruikelijke bestuurder van de auto was. Zij had de auto echter op naam van iemand anders verzekerd, nadat dezelfde verzekeraar haar eigen verzekeringsaanvraag had geweigerd. De verzekeraar stelde zich in de procedure daarom op het standpunt dat sprake was van bedrog, opzettelijke misleiding en een schending van de waarheidsplicht. Ook werd een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW).

 

Het hof ging daarin mee en wees de vordering van de vrouw in hoger beroep af. Het hof merkte de vrouw aan als ‘bekende derde’, wiens belangen ook bij het sluiten van de verzekering zijn gedekt en op wie de mededelingsplicht uit artikel 7:928 lid 2 ook betrekking heeft. Het hof volgde de verzekeraar om die reden in het standpunt dat artikel 11 van de WAM, dat onder meer bepaalt dat een benadeelde bij een verkeersongeval niet de dupe mag worden van eventuele nietigheden, verweren en verval van recht, die de verzekeraar zou kunnen inroepen tegen de verzekeringnemer, er niet aan in de weg stond om verzekeringsrechtelijke sancties jegens de vrouw in te roepen. Volgens het hof kon de vrouw namelijk niet worden aangemerkt als zogeheten derde-benadeelde, die op grond van artikel 6 van de WAM een eigen recht jegens de WAM-verzekeraar heeft.

 

En voor zover de vrouw niet als bekende derde kon worden aangemerkt, was het hof van oordeel dat de verzekeraar een geslaagd beroep kon doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het bedrog van de vrouw bracht volgens het hof namelijk mee dat zij haar recht op schadevergoeding op grond van artikel 6 van de WAM door haar eigen gedrag had verspeeld. Haar handelswijze had als doel om een WAM-dekking te construeren en deze dekking zou zij volgens het hof niet hebben verkregen als zij de vragenlijst naar waarheid zou hebben ingevuld en naar waarheid zou hebben verklaard. Het zou daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om op grond van artikel 6 van de WAM tot schade-uitkering over te gaan, omdat de vrouw dan zou profiteren van haar op juist dat profijt gerichte bedrieglijke constructie, aldus het hof.

 

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft bovengenoemde uitspraak van het hof echter vernietigd. Daarbij is tot uitgangspunt genomen dat de bepalingen in de WAM een implementatie vormen van de WAM-richtlijn, en daarom ook in overeenstemming met die richtlijn moeten worden uitgelegd.

 

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in diverse uitspraken het belang van bescherming van slachtoffers van ongevallen benadrukt. En gelet op die rechtspraak zou de vrouw in onderhavige kwestie ook moeten worden aangemerkt als benadeelde met een eigen recht op schadevergoeding. Volgens de Hoge Raad is er in de verhouding tussen de benadeelde en de WAM-verzekeraar geen plaats voor een algemene buitenwettelijke regel dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde na verwezenlijking van het risico het eigen recht van artikel 6 WAM vervalt. Evenmin is volgens de Hoge Raad in die verhouding plaats voor een algemene buitenwettelijke regel dat de verzekeraar geen uitkering is verschuldigd bij onjuiste inlichtingen of opzettelijke misleiding.

 

Uitkering kan in een geval zoals de onderhavige alleen worden geweigerd op het moment dat sprake is van misbruik van het recht van de Europese Unie. En daarvan is volgens de Hoge Raad in dit geval geen sprake. Het gaat hier namelijk om een slachtoffer van een verkeersongeval dat schadevergoeding wil krijgen, waardoor moet worden aangenomen dat bij erkenning van haar recht op schadevergoeding het door de WAM-richtlijn nagestreefde doel van bescherming van slachtoffers van verkeersongevallen wordt bereikt. De Hoge Raad overweegt dat de onjuiste verklaringen in dit geval niet vooral zijn afgelegd om zich als slachtoffer op de WAM-richtlijn te beroepen en de wettelijke voorwaarden voor een recht op uitkering te omzeilen. De vrouw had met de onjuiste verklaringen volgens de Hoge Raad het kennelijke doel om een verzekeringsovereenkomst te sluiten en om nadien de onjuistheden te verhullen. Er is daarom geen sprake van misbruik van Unierecht, zodat ook geen ruimte bestaat voor de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Die toepassing zou immers afbreuk doen aan de volle werking en eenvormige toepassing van de WAM-richtlijn, aldus de Hoge Raad.

 

De Hoge Raad heeft de zaak doorverwezen naar het Hof Den Bosch, waar nog geoordeeld moet worden over het beroep van de verzekeraar op eigen schuld van de vrouw.