Wat was er aan de hand? De bedrijfsarts ging uit van een urenbeperking op basis waarvan de re-integratie werd vormgegeven. Het UWV stelde aanvankelijk dat er geen urenbeperking was en legde daarom een loonsanctie op aan de werkgever. In bezwaar wijzigde het UWV dit standpunt: de door de bedrijfsarts aangenomen belastbaarheid bleek toch juist. Het UWV constateerde in bezwaar wel een ander tekort, namelijk in de re-integratie in het tweede spoor en handhaafde de loonsanctie. De rechtbank ging daarin mee.

De CRvB overwoog dat de loonsanctie uitsluitend kan steunen op de tekortkoming die in het oorspronkelijke besluit is vastgesteld. De nieuwe tekortkoming in het tweede spoor kon de werkgever niet eerder herstellen en mocht daarom niet als grondslag dienen. Nu het UWV het oorspronkelijke standpunt losliet, verviel daarmee de juridische basis voor de loonsanctie.

 

Een kritische noot is dat de CRvB het feit dat na het verstrijken van de 104-weken-termijn (hoe dan ook) geen loonsanctie meer mag worden opgelegd, wat mij betreft onvoldoende meeneemt.

 

Desondanks goed nieuws dus voor de geduldige werkgever; het afwachten van de procedures heeft geloond.

 

Uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2025:1373