Een mbo-school heeft als onderwijsinstelling een zorgplicht tegenover studenten voor de kwaliteit van het onderwijs en de bijbehorende studentenbegeleiding en ondersteuning.
De inspanning van een redelijk bekwame en redelijk handelende onderwijsinstelling moet gericht zijn op een zodanige ontwikkeling van de student dat deze, met zijn ontwikkelingsmogelijkheden en met de redelijkerwijs van hem te vergen inzet, in staat wordt gesteld te voldoen aan de voortgangsnormen. Het doel is om uiteindelijk, met een redelijke kans van slagen, de gevolgde opleiding succesvol af te ronden. Wanneer een student achterblijft en niet presteert zoals deze redelijkerwijs zou (moeten) kunnen, dan zal de onderwijsinstelling dit tijdig moeten onderkennen en passende en concrete maatregelen moeten voorstellen en/of nemen, toegespitst op de specifieke situatie van de individuele student. Deze inspanningsplicht is een voortdurende verplichting: de school moet zich steeds en voortdurend voor haar studenten inspannen. Als een school eenmaal tekortschiet in de inspanningsverbintenis, dan kan dat niet meer ongedaan worden gemaakt.
In een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 december 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:10680) lag de vraag voor of een mbo-school een student voldoende heeft ondersteund en begeleid bij zijn eerste stageplaats in 2017 en, nadat deze mislukt was, zich voldoende heeft ingespannen om een tweede stage te vinden.
De eerste stage
De artikelen 7.2.9. leden 1 en 2 en 7.2.7 lid 1 Wet Educatie en Beroepsonderwijs (hierna: ‘WEB’) zien op de mogelijkheid om studenten in staat te stellen de opleiding binnen de vastgestelde studieduur af te ronden. Daaraan kan volgens het gerechtshof door een school worden voldaan door de eerste stage aan te bieden, zoals hier het geval was. Mocht tijdens de stage blijken dat de student de stage niet naar behoren gaat voltooien, dan kan de school aan haar inspanningsverbintenis voldoen door bijvoorbeeld deel te nemen aan een extra stagevoortgangsgesprek. Ook dient de school beschikbaar te zijn om de student te adviseren ingeval er discussie ontstaat over de stage-overeenkomst.
De tweede stage
Wanneer de eerste stage niet succesvol wordt afgerond, dient de school zich in te spannen om een tweede stageplaats te vinden. De school dient daarbij de juiste begeleiding te bieden opdat een andere stage met succes kan worden voltooid. Dit kan door bijvoorbeeld gedurende de stage een extra vinger aan de pols te houden en het verloop van de stage actief te monitoren.
Het kan zo zijn dat er in de gegeven omstandigheden geen geschikte stageplaats voor de betreffende student beschikbaar is. Wanneer dit het geval blijkt te zijn, dient te school dit te onderbouwen en aan te kunnen tonen dat zij zich voldoende heeft ingespannen. De school kan daarbij bijhouden en vastleggen welke acties zij heeft ondernomen. Daarnaast kan de school de student wijzen op de mogelijkheid om mee te doen met een nieuwe ronde stages die beschikbaar worden gesteld voor studenten die in het volgende schooljaar een stage moeten lopen.
Tot slot staat in artikel 7.2.9 WEB dat indien een onderwijsinstelling en het Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (hierna: ‘SBB’) na het sluiten van een stageovereenkomst vaststellen dat een beroepspraktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekort schiet of ontbreekt, de stageorganisatie niet langer beschikt over een gunstige beoordeling zoals bedoeld in artikel 7.2.10 WEB of sprake is van andere omstandigheden die maken dat de beroepspraktijkvorming niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, de onderwijsinstelling een toereikende vervangende voorziening ter beschikking moet stellen. Uit de redactie van dit artikel leidt het gerechtshof af dat dit wetsartikel ziet op de situatie dat zich bij de praktijkorganisatie een verandering in omstandigheden voordoet, waardoor het geen geschikte plek meer is voor een stage. Op grond van dit artikel kan in onderhavige situatie niet een plicht voor de school worden ontleend om een tweede stage of andere toereikende voorziening voor de student te bieden.
Ook op de student zelf rust een plicht zich in te spannen om zijn studie goed af te ronden en van hem/haar mag ook verwacht worden eventuele schade zoveel mogelijk te beperken. In dit kader dient dus te worden bezien of de student zelf nog enige actie heeft ondernomen om met hulp van de school een tweede stage te bemachtigen. Het is dus niet uitsluitend de verantwoordelijkheid van de school. Nalatigheid van de student kan hem worden toegerekend, zoals blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof.
De zorgplicht van de school houdt dus in dat de school een eerste stage moet aanbieden. Mocht op een gegeven moment blijken dat de student de stage niet naar behoren gaat voltooien, dan kan de school een extra stagevoortgangsgesprek organiseren en dient zij beschikbaar te zijn om de student te adviseren. Vervolgens moet de school zich voldoende inspannen bij het vinden van een tweede stage. Ingeval er geen geschikte stageplaats beschikbaar is, dient te school dit te onderbouwen en moet zij kunnen aantonen dat zij zich voldoende heeft ingespannen.


