Kan een omstandigheid, waarvan vaststaat dat deze zich op termijn voor gaat doen, buiten beschouwing worden gelaten bij vergoeding van de begrote toekomstschade? De rechtbank Oost-Brabant beantwoordde deze vraag in haar uitspraak van 28 juli 2021 ontkennend.

 

Casus

Verzoeker is op 21 december 2011 aangereden door een personenauto en heeft daarbij ernstig letsel aan zijn rechterbeen opgelopen. Aansprakelijkheid voor het ongeval is erkend door de wettelijke aansprakelijkheidsverzekeraar van de personenauto. Verzoeker is na het verkeersongeval meerdere keren geopereerd aan zijn rechterbeen en knie. Partijen hebben in het kader van de afwikkeling van de schade allebeide een eigen medisch adviseur ingeschakeld. Deze komen gezamenlijk tot een prognose. Er is bij verzoeker sprake van blijvende beperkingen met betrekking tot het rechterbeen, waarbij het onvermijdelijk is dat het blijvend functieverlies op termijn zal leiden tot een kniegewricht vervangende operatie (in de vorm van een knieprothese).

 

In het kader van de knieprothese heeft verzoeker met zijn orthopedisch chirurg een ‘conservatief beleid’ afgesproken. Concreet houdt dat in dat het plaatsen van de knieprothese zo lang mogelijk wordt uitgesteld. Reden hiervoor is dat het resultaat van de te plaatsen knieprothese onzeker is. Indien deze niet tot het gewenste resultaat leidt, kan hier namelijk een verhoogd percentage blijvende invaliditeit uit voortvloeien.

 

Partijen verschillen in onderhavig geval van oordeel over de manier waarop de toekomstschade dient te worden afgewikkeld en verzoeker start een deelgeschilprocedure.

Standpunt partijen

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de schade die zich (mogelijk) in de toekomst voor zal doen na afweging van de goede en kwade kansen bij voorbaat dient te worden begroot en vergoeding dient te geschieden middels betaling ineens. Hierbij wenst hij echter het voorbehoud op te nemen dat indien de nog te plaatsen knieprothese tot een toename van zijn schade leidt, dit buiten de schadevergoeding valt.

 

De verzekeraar is het hier niet mee eens. Zij stelt zich op het standpunt dat verzoeker een innerlijk tegenstrijdig verzoek indient: aan de ene kant wenst hij dat de toekomstschade wordt begroot en middels betaling van een bedrag ineens wordt vergoed, terwijl hij aan de andere kant de vergoeding van de toekomstschade (die zich mogelijk uit na het plaatsen van de knieprothese) open wenst te houden.

Juridisch kader

Artikel 6:105 BW staat centraal in deze procedure. Uitgangspunt bij de veroordeling tot betaling van een bedrag ineens voor (te begroten) toekomstige schade is dat de goede en kwade kansen hierbij dienen te worden opgenomen. Op grond van artikel 6:105 BW komt de rechter echter een discretionaire bevoegdheid toe: dit is de ruimte voor de rechter om zijn beslissing nader in te kleuren. Binnen de rechtspraak is in het kader van deze discretionaire bevoegdheid aanvaard dat de rechter bij zijn veroordeling vooraf de voorwaarde kan stellen dat de benadeelde naast het schadebedrag ineens ook recht heeft op een later te begroten aanvullende schadevergoeding in het geval een aangeduide kwade kans zich realiseert.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het partijen in beginsel vrij staat om in een vaststellingsovereenkomst een voorbehoud op te nemen over een mogelijke verslechtering van de medische situatie. Het is derhalve geen innerlijk tegenstrijdige verzoek, zoals door de verzekeraar werd gesteld. In onderhavig geval is de rechtbank echter van oordeel dat het door verzoeker gewenste voorbehoud niet kan worden toegewezen. In het uitgangspunt dat op grond van artikel 6:105 BW alle schade met de afweging van de goede en kwade kansen dient te worden begroot past immers niet dat één specifieke kwade kans niet wordt meegenomen bij die afweging. Des te meer gezien het gaat om een omstandigheid (het plaatsen van de knieprothese) waarvan vast staat dat deze zich zal voordoen.

 

Volgens de rechtbank heeft verzoeker twee opties: bij de begroting van de toekomstige schade dient ook de goede en kwade kans met betrekking tot de te plaatsen knieprothese te worden meegenomen of ieder jaar dient de daadwerkelijk geleden schade te worden opgemaakt en op basis daarvan dient vergoeding door de verzekeraar te geschieden.

Conclusie

De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant laat zien dat bij begroting van toekomstschade een voorbehoud op grond van een omstandigheid die daadwerkelijk plaats zal vinden niet kan worden opgenomen.