Legt een verklaring van een partner van een verzekerde gewicht in de schaal?

Onlangs is een arrest verschenen van het Gerechtshof Den Haag (13 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2051), waarin een verzekerde bewijs van het bestaan van een verzekerd evenement wilde aantonen door middel van een verklaring van hemzelf en van zijn echtgenote. Het hof heeft zich hierbij uitgelaten over deze vormen van bewijs, waarbij specifiek is ingegaan op de waardering van de verklaring die door de partner is gegeven. Hoe moet een dergelijke verklaring worden geduid? Kan deze voldoende bewijs opleveren ten aanzien van het bestaan van een verzekerd schade-evenement? Voordat op deze vragen antwoord wordt gegeven, zal eerst kort worden stilgestaan bij een aantal algemene uitgangspunten die gelden bij de bewijslevering met betrekking tot een verzekerd schade-evenement.

Verzekerde schade

Het bewijzen van een verzekerde schade: enkele uitgangspunten

De hoofdregel van het bewijsrecht houdt in dat diegene die zich op rechtsgevolgen beroept, de bewijslast draagt (artikel 150 Rv). Hierbij geldt als uitgangspunt dat bewijs in beginsel geleverd kan worden door alle middelen (artikel 152 lid 1 Rv). In lijn met dit uitgangspunt geldt in het verzekeringsrecht dat het aan de verzekerde is om te bewijzen dat de gebeurtenis waartegen de verzekering in beginsel dekking biedt zich heeft voorgedaan. Ook dient de verzekerde te bewijzen dat door die gebeurtenis schade is geleden en wat de schadeomvang is.

 

In enkele gevallen kan het voor een verzekerde zeer lastig zijn om te bewijzen dat een bepaalde gebeurtenis gedekt is onder een afgesloten verzekering. Hierbij kan gedacht worden aan diefstal van (onderdelen van) auto’s. Lang niet altijd zijn camerabeelden of geluidsopnames beschikbaar of zijn getuigen aanwezig geweest. Hoe dient een verzekerde in die gevallen het verzekerde evenement ‘diefstal’ te bewijzen?

 

Door de Hoge Raad is geoordeeld dat in dergelijke gevallen geen al te zware eisen aan de bewijslevering mogen worden gesteld. De verzekerde hoeft de diefstal ‘slechts’ voldoende aannemelijk te maken (zie Hoge Raad 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1507). De door de verzekerde te bewijzen feiten en omstandigheden hoeven daarmee niet onomstotelijk vast te staan. Zo is geoordeeld dat de enkele aangifte van de diefstal in een door de politie opgemaakt proces-verbaal voldoende bewijs kan vormen (zie Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7070). Het voorgaande kan betekenen dat, ondanks het niet volledig kunnen uitsluiten van andere mogelijke schade-oorzaken, de rechter oordeelt dat aannemelijk is gemaakt dat diefstal heeft plaatsgevonden. Aan de hand van het vorenstaande kan dus wel gezegd worden dat een verzekerde in dergelijke gevallen een ‘bewijsvoordeel’ geniet.

 

De keerzijde van deze ‘bewijsmedaille’ houdt in dat de betrokken verzekeraar, in tegenstelling tot de verzekerde, in een benarde bewijspositie terecht kan komen. Nu hij volstrekt afhankelijk is van de informatie die verzekerden verstrekken, moet hij volledig kunnen vertrouwen op de juistheid van die informatie. Maar wat te doen indien vraagtekens bij het door verzekerde geleverde bewijs zijn te plaatsen? Wat indien aanleiding bestaat te vermoeden dat sprake is van fraude? Heeft de verzekerde ook in die gevallen genoeg aan een proces-verbaal om diefstal aannemelijk te maken?

 

Op grond van de wet staat het de betrokken verzekeraar vrij tegenbewijs te leveren (artikel 151 lid 2 Rv). Indien het door de verzekerde geleverde bewijs van de vermeende diefstal te veel vragen oproept in het licht van de door de verzekeraar aangevoerde feiten en omstandigheden, dan is het aan de rechter om het geleverde bewijs te waarderen (artikel 152 lid 2 Rv) en daarover een oordeel te vormen. Het kan dan voorkomen dat een proces-verbaal niet genoeg is om het verzekerde evenement aan te tonen. Dit betekent echter niet automatisch dat de verzekerde niet in zijn bewijsopdracht zal slagen, nu voor hem ook andere bewijsmiddelen bestaan.

De bewijskracht van (partij)verklaringen

Het komt regelmatig voor dat een verzekerde zichzelf wil laten horen, om op die wijze aan te tonen dat daadwerkelijk sprake is geweest van diefstal. Hiernaast kan de verzekerde derden, onder wie diens partner, laten verklaren over de schade-oorzaak. Hoe gaat een rechter om met die verklaringen?

 

Uit de wet vloeit voort dat indien de verzekerde zichzelf als ‘partijgetuige’ wil laten horen, die verklaringen alleen kunnen strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs (artikel 164 lid 2 Rv). Daarvan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Geldt een dergelijke restrictie in de bewijswaardering ook voor de verklaring van de partner van een verzekerde? In het hierboven reeds genoemde arrest van 13 augustus 2019 heeft het Hof Den Haag zich over die vraag gebogen.

 

In deze zaak stelt een verzekerde dat een navigatiesysteem, kachel en airbag uit zijn auto zijn gestolen. Ten aanzien van de verklaring van de verzekerde zelf oordeelt het hof dat die verklaring niet wordt ondersteund door bewijzen die zo sterk en essentieel zijn, dat zij die verklaring voldoende geloofwaardig maken.

 

Het hof laat zich vervolgens uit over de bewijskracht van de door de echtgenote van de verzekerde afgegeven verklaring. Hierbij is door het hof vastgesteld dat de echtgenote een eigen belang heeft bij de uitkomst van de zaak. Dat brengt volgens het hof mee dat alleen haar verklaring, waaruit op zich het plaatsvinden van de inbraak en diefstal op de gestelde schadedatum kan worden afgeleid, niet voldoende steunbewijs oplevert. Daar komt volgens het hof bij dat haar verklaring op enkele punten afwijkt van de verklaring van de verzekerde, wat afdoet aan de geloofwaardigheid van haar verklaring.

 

Het hof komt tot de conclusie dat de beide getuigen geen afdoende verklaring hebben kunnen geven voor enkele opmerkelijke feiten en omstandigheden die aanleiding geven voor de nodige twijfel. Het hof oordeelt dat verzekerde niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht ten aanzien van het bestaan van de diefstal, hetgeen betekent dat de verzekeraar niet gehouden is dekking te verlenen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande geldt als conclusie dat indien sprake is van een eigen belang van een getuige bij de uitkomst van de zaak, diens verklaring, net als een partijgetuigenverklaring, slechts kan dienen ter aanvulling van onvolledig bewijs. In mijn ogen is dat een juist uitgangspunt. Een verzekeraar is immers afhankelijk van de door de verzekerde geleverde informatie en zonder voornoemde restrictie in de bewijskracht zou de verzekerde, bovenop het bewijsvoordeel dat hij al geniet, bij twijfel te snel in zijn bewijsopdracht ten aanzien van het bestaan van een verzekerde schade slagen. Dat lijkt mij in het kader van eerlijke kansen voor beide partijen in een geschil geen wenselijke uitkomst.

Meer informatie

Neem voor meer informatie over dit of andere aansprakelijkheidsrechtelijke onderwerpen contact op met Lissa Boersma, advocaat, E: lissa.boersma@nysingh.nl | T: 088 752 02 76 | M: 06 30 15 83 71.