Iedere overheid heeft te maken met geldvorderingen. Deze geldvorderingen kunnen zowel publiekrechtelijk (bestuurlijk) als privaatrechtelijk van aard zijn. Wat deze grondslagen met elkaar gemeen hebben, is dat de overheid in beide gevallen gebruik kan maken van privaatrechtelijke (invorderings)mogelijkheden. Overheden maken daar – zeker in publiekrechtelijke gevallen – echter zelden gebruik van. Dat is een gemiste kans. In deze blog worden vier privaatrechtelijke (invorderings)mogelijkheden voor de overheid besproken en wordt uitgelegd hoe deze positief kunnen bijdragen aan het uiteindelijke resultaat van de invordering.

Zekerheden

De eerste (invorderings)mogelijkheid is het vooraf bedingen van zekerheid voor de geldvordering. In de praktijk zijn de meest gangbare zekerheden (i) een pandrecht; (ii) een hypotheekrecht; of (iii) een borgstelling. Door middel van een zekerheidsrecht verkrijgt u een onderpand. Een onderpand is een zekerheid in de vorm van geld, goederen of rechten, bijvoorbeeld een onroerende zaak. Als de geldschuld niet (tijdig) wordt voldaan, kunt u zich als zekerheidsgerechtigde met voorrang verhalen op het onderpand. Daarmee is de invordering van de geldschuld (grotendeels) verzekerd.

Verrekening

De tweede (invorderings)mogelijkheid is verrekening. Bij verrekening worden een geldschuld en een geldvordering tegen elkaar weggestreept, zodat de uiteindelijke schuld of vordering wordt verlaagd. In privaatrechtelijke verhoudingen is verrekening mogelijk wanneer aan de wettelijke vereisten wordt voldaan (artikel 6:127 BW). Aan de wettelijke vereisten wordt voldaan als de schuld en de vordering van gelijke aard zijn (bijvoorbeeld geld), de partijen over en weer elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn en de vorderingen en schulden opeisbaar zijn. Een privaatrechtelijke verrekening kan zich bijvoorbeeld voordoen bij contractuele verhoudingen. In publiekrechtelijke verhoudingen is verrekening slechts mogelijk als een specifieke wettelijke bevoegdheid daarin voorziet (artikel 4:93 Awb). Een voorbeeld hiervan is artikel 24 Invorderingswet voor de invordering van belastingschulden.

Conservatoir beslag

De derde (invorderings)mogelijkheid is conservatoir beslag. Conservatoir beslag is een bewarend beslag op de bezittingen van de schuldenaar. Door middel van een conservatoir beslag worden de bezittingen ‘bevroren’ totdat de vordering definitief is geworden (bijvoorbeeld door een kostenverhaals- of invorderingsbeschikking of een gerechtelijke procedure). Zodra de vordering definitief is geworden en de schuldenaar niet betaalt, kunt u zich als beslaglegger met voorrang op de bezittingen verhalen.

 

Conservatoir beslag is een bewezen effectief middel om bezittingen veilig te stellen voor verhaal en de pressie tot vrijwillige nakoming te bevorderen. Bij de invordering van (publiekrechtelijke) geldschulden maken overheden echter zelden gebruik van deze mogelijkheid. Daarom organiseren Marike Boersen en Wesley Terhaerdt op 14 april het webinar ‘Conservatoir beslag voor overheden’. Voor meer informatie of aanmelden, klik dan op deze link: Webinar: conservatoir beslag voor overheden.

Aanvragen faillissement

De vierde (invorderings)mogelijkheid is het indienen van een faillissementsaanvraag. Het aanvragen van het faillissement van een schuldenaar is een privaatrechtelijke bevoegdheid die zowel bij publiekrechtelijke als privaatrechtelijke vorderingen kan worden ingezet. Het is echter zeer ingrijpend en daarom een ultimum remedium. De pressie die van een faillissementsaanvraag uitgaat, draagt regelmatig bij aan de vrijwillige nakoming door de schuldenaar.